soepel

bijv.naamw.
Uitspraak:  [ˈsupəl]

1) als je iets makkelijk kunt buigen of bewegen
Voorbeelden:  `soepele spieren`,
`schoenen van soepel leer`
Antoniemen:  stijf, stug
Synoniem:  buigzaam

2) als iets makkelijk gebeurt
Voorbeeld:  `een soepele afschaffing van de hypotheekrenteaftrek`

3) als iemand zich makkelijk aanpast aan anderen of de situatie, of als iets daar blijk van geeft
Voorbeelden:  `je soepel opstellen`,
`een soepele toepassing van de regels`
Synoniem:  flexibel

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
buigbaar buigzaam diplomatiek flexibel gedwee gemakkelijk genadig Geschikt gesmeerd gewillig handig inschikkelijk lenig licht meegaand tactvol toegeeflijk toegevend stug (antoniem)

Intensiveringen
Uitdrukkingen die soepel betekenen (waarin het woord zelf niet voorkomt):
gaan als een banaan; lopen als een zonnetje; werken als een zonnetje;

9 definities op Encyclo
  1. je kunt het buigen en van vorm veranderen vb: rubber is een soepel materiaal Synoniem: flexibel Tegenstelling: stug gemakkelijk, niet streng vb: de regels hier op school ...
  2. rond, zacht, makkelijk, toegankelijk
  3. soepele wijnen hebben meestal een zachte smaak waarin geen harde kantjes van bijvoorbeeld zuren of tannine voorkomen; sappig van smaak.
  4. Uit `De lagere vaktalen: De tabakbewerkerstaal` 1914 door vochten zacht genoeg voor 't kerven.
  5. •gemakkelijk buigend en zich aanpassend. •"overdrachtelijk": weinig problemen ondervindend. •tweede betekenisomschrijving.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met soepel:
soepelheid

Deze woorden eindigen op soepel:
versoepel

Herkomst volgens etymologiebank.nl
soepel (buigzaam; meegaand)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `soepel` kennen.