de sinus

zelfst.naamw. (m.)
Afbreekpatroon:  ` si - nus
Herkomst:  «Latijn
Verbuigingen:  sinussen (meerv.)

goniometrische functie voor het aangeven van lengteverhoudingen in een rechthoekige driehoek wiskunde
Voorbeelden:  `in een rechthoekige driehoek is de sinus de overstaande rechthoekszijde gedeeld door de schuine zijde`,
`sin(30°)=0,5`


Synoniemen
boogpees (latijn, wisk.)

21 definities op Encyclo
  1. Bij gastropoden een inbochting van de mondrand.
  2. Boezem
  3. holte, bocht, boezem. synoniem: holte
  4. Let op: Spelling van 1858 zeeboezem; zak of hol eener zweer; holte in een been, dat eenen naauwen ingang heeft. Voorts eene hoofdlijn in de driehoeksmeting door sommigen,...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met sinus:
sinusaalsinusintegraalsinusitissinusknoopsinusregelsinussensinusvormig

Deze woorden eindigen op sinus:
cosinusarcsinusarccosinus

Herkomst volgens etymologiebank.nl
sinus (verhoudingsgetal)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 96% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `sinus`.