de pols

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [pɔls]
Verbuigingen:  pols|en (meerv.)

1) gewricht tussen hand en onderarm
Voorbeeld:  `polshorloge`
iets uit de losse pols doen  (zonder voorbereiding of inspanning) Synoniem: gemakkelijk

2) het aan de onderkant van de pols (1) voelbare kloppen van het hart aan het stromen van het bloed door de slagaders
Voorbeeld:  `een snelle pols van 120 slagen per minuut`
Synoniem:  hartslag

© Kernerman Dictionaries.

Spelling
Correct gespeld: 'pols' komt voor in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie en in de spellingwoordenlijst van OpenTaal.

Spreekwoorden en zegswijzen
 niet verder springen dan je pols lang is (=niet verder gaan dan mogelijk is)
 iemand (aan) de pols voelen (=iemand uithoren)
 de vinger aan de pols houden (=in de gaten houden of alles goed gaat)
Naar de spreekwoorden

Deze woorden beginnen met pols:
 polsen polshoogspringen polshorloge polshorloges polsslag polsstok polsstokhoogspringen polsstokken polsstokspringen polsstoksprong polst polste polsten

19 definities op Encyclo
I.) klopping van slagaders in de pols, veroorzaakt door samentrekking van het hart. synoniem: pulsus
II.) klopping van slagaders in de pols, veroorzaakt door samentrekking van het hart. synoniem: pulsus
III.) Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-en), uiteinde der slagader; aanslag dien men op de slagader gevoelt; [iemand] den - voelen, (ook fig.) uithooren; de - slaat, klop...
IV.) [zelfstandig naamwoord]• gewricht tussen hand en onderarm vb:je moet je pols rechthouden als je schrijft • uit de losse pols [met het grootste gemak] • de...
V.) pols of ook wel voetwortelbeentjes genoemd, zie ook handboek polsslag
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `pols`.

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. pols (handgewricht, polsslag)
  2. pols = polsstok