de pols

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [pɔls]
Verbuigingen:  pols|en (meerv.)

1) gewricht tussen hand en onderarm
Voorbeeld:  `polshorloge`
iets uit de losse pols doen  (zonder voorbereiding of inspanning) Synoniem: gemakkelijk

2) het aan de onderkant van de pols (1) voelbare kloppen van het hart aan het stromen van het bloed door de slagaders
Voorbeeld:  `een snelle pols van 120 slagen per minuut`
Synoniem:  hartslag

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
handgewricht polsader

Spreekwoorden en zegswijzen
• niet verder springen dan je pols lang is (=niet verder gaan dan mogelijk is)
• iemand (aan) de pols voelen (=iemand uithoren)
• de vinger aan de pols houden (=in de gaten houden of alles goed gaat)
Naar de spreekwoorden

15 definities op Encyclo
I.) klopping van slagaders in de pols, veroorzaakt door samentrekking van het hart. synoniem: pulsus
II.) klopping van slagaders in de pols, veroorzaakt door samentrekking van het hart. synoniem: pulsus
III.) Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-en), uiteinde der slagader; aanslag dien men op de slagader gevoelt; [iemand] den - voelen, (ook fig.) uithooren; de - slaat, klop...
IV.) pols of ook wel voetwortelbeentjes genoemd, zie ook handboek polsslag
V.) Carpus..
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `pols`.