matten

werkw.
Uitspraak:  ['mɑtə(n)]
Vervoegingen:  matte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gemat (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

vechten informeel

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bakkeleien duelleren kampen knokken meppen strijden vechten

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn matten oprollen (=vertrekken, weggaan)
Naar de spreekwoorden

5 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] ik matte, heb gemat), met matten of biezen beleggen; vermoeijen, afmatten. ~LISCH, o. bies. ~MA...
  2. Aanbrengen van een rieten of rotan stoelzitting en stoelrug, meestal in een vierkantsmotief of in een motief met achthoekige gaatjes. Dit wordt ook het `canneren` of `her...
  3. 1) Afkammen 2) Afmatten 3) Bakkeleien 4) Dof maken 5) Duelleren 6) Een rieten zitting maken 7) Kampen 8) Knokken 9) Matteren 10) Meppen 11) Met biezen gemaakt 12) Strijde...
  4. Amsterdams woord voor vechten
  5. knokken Jaar van herkomst: 1950 (GVD )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op matten:
afmattendeurmattenformattenhangmattenmuismattenmassemattenslaapmattentegelmattenbematten

Herkomst volgens etymologiebank.nl
matten (knokken)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `matten`.