luiden

werkw.
Uitspraak:  ['lœydə(n)]
Vervoegingen:  luidde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geluid (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) (een kerkklok) geluid laten maken
Voorbeeld:  `Op zondag luiden de klokken al om acht uur.`

2) zijn
Voorbeeld:  `Mijn antwoord luidt nee.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanbellen beieren bellen bonzen galmen heten klank voortbrengen klinken klokluiden lui schellen zeggen

Spreekwoorden en zegswijzen
• hij heeft de klok horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt (=hij weet er wel iets over, maar kent de juiste toedracht niet)
• de klok luiden maar niet schaften (=wel beloven maar niet doen)
• de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt (=ergens over gehoord hebben, zonder er echt iets van af te weten)
• de grote klok luiden (=op opvallende wijze bekend maken)
Naar de spreekwoorden

4 definities op Encyclo
  1. • [ov] doen klinken, gewoonlijk van een bel. • [inerg] het weerklinken van het geluid van een klok. •tweede betekenisomschrijving. •enz.
  2. een helder klinkend geluid laten horen vb: de klok luidt zijn of klinken vb: zijn antwoord luidt positief
  3. 1) Aan de klok trekken 2) Aanbellen 3) Behelzen 4) Beieren 5) Bellen 6) Bepaalde indruk maken 7) Bimbammen 8) Bonzen 9) Doen weerklinken 10) Galmen 11) Heten 12) Inhouden...
  4. Vlaams voor het Nederlandse woord ` lieden`
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met luiden:
luidens

Deze woorden eindigen op luiden:
geluideninluidenoerwoudgeluidenverluiden

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. luiden ( doen klinken; inhouden)
  2. luiden = lieden (mensen)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `luiden`.