koekeloeren

werkw.
Uitspraak:  [kukə'lurə(n)]
Vervoegingen:  koekeloerde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gekoekeloerd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

kijken spreektaal
Voorbeeld:  `Veel heb je niet aan zo'n beest; hij zit maar een beetje te koekeloeren in zijn kooi.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
piepen

4 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik koekeloerde, heb gekoekeloerd), leeg -, werkeloos zitten en uitkijken; daar zit hij den ganschen dag te -.
  2. in een toestand van passiviteit de tijd doorbrengen, wezenloos, werkeloos (voor zich uit) kijken
  3. 1) Gluren 2) Koeren 3) Piepen 4) Spieken
  4. zonder bezigheid uitkijken Jaar van herkomst: 1599 (WNT )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. koekeloeren (kraaien)
  2. koekeloeren (zonder bezigheid uitkijken)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `koekeloeren`.