de kastelein

zelfst.naamw. (m.)
Verbuigingen:  kasteleins
Verbuigingen:  kasteleintje

1) de plaatsvervanger van de kasteelheer in het beheer van het kasteel
Voorbeeld:  `Coenraad Cuser, in 1400 kastelein van Teylingen en raad van hertog Albrecht, wordt nog voor het laatst vermeld in 1405.`

2) een belangrijke ambtenaar die in dienst stond van de landheer en optrad in de rechtspraak en bestuur

3) een kroeg- of herberguitbater
Voorbeeld:  `De kastelein goot mijn glas opnieuw vol.`


Bron: WikiWoordenboek.

Synoniemen
caféhou caféhouder herbergier kroegbaas kroeghou kroeghouder slotvoogd waard

6 definities op Encyclo
  1. baas van een café vb: de kastelein tapte een biertje voor me Synoniem: waard 2
  2. zie: Drost
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-s, -en), oudtijds ) slotvoogd; (ook) gevangenbewaarder; (thans) herbergier. ~ES, v. (-sen), herbergierster. ~SCHAP, o. geen mee...
  4. 1) Barman 2) Beroep 3) Burchtheer 4) Cafebaas 5) Caféhouder 6) Gelaghouder 7) Gevangenbewaarder 8) Herbergier 9) Kasteelheer 10) Koffiehuishouder 11) Kroegbaas 12) Kroeg...
  5. Oorspronkelijk een ambtenaar aan wie de bewaring van een kasteel en eventueel het beheer van het bijbehorende rechtsgebied was opgedragen. In het Groot Placaatboek 1, 57 ...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
kastelein (herbergier)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 98% van de Nederlanders en 93% van de Vlamingen het woord `kastelein`.