het kaartje

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [ˈkarcə]
Verbuigingen:  kaartje|s (meerv.)

1) stuk papier waarmee je ergens naar binnen kunt
Voorbeelden:  `een kaartje voor de bus kopen`,
`We hebben al kaartjes voor het museum.`,
`treinkaartje`
Synoniemen:  toegangsbiljet, ticket

2) stukje licht karton waarop je naam, je functie, je bedrijfsnaam en je contactgegevens zijn gedrukt
Voorbeeld:  `Als je me je kaartje geeft, dan mail ik je de offerte meteen vanmiddag.`
Synoniem:  visitekaartje

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
biljet entreebiljet kaart plaatsbewijs ticket toegangsbewijs toegangsbiljet

Taaladvies
Zichtkaart / postkaart / ansicht(je) / prentbriefkaart / ansichtkaart / kaartje: Is zichtkaart correct?

3 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: (B. -N), o. (-s), kleine kaart; naam-, visite-; zijn - afgeven, laten (ten blijke dat men [iemand] heeft willen bezoeken; een - maken, ...
  2. Uit `De lagere vaktalen: Diamantbewerking` 1914 een kaartje geven, wordt gezegd, wanneer de slijper slechts een zeer kleine beweging behoeft te geven, die te groot zou zi...
  3. 1) Afgiftebewijs 2) Ansicht 3) Bewijs 4) Bewijs van toegang 5) Biljet 6) Biljetje 7) Contramerk 8) Entreebewijs 9) Entreebiljet 10) Kaart 11) Label 12) Plaatsbewijs 13) P...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met kaartje:
kaartjesknipperkaartjesknippers

Deze woorden eindigen op kaartje:
geboortekaartjetreinkaartjetoegangskaartjevisitekaartje

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `kaartje`.