de kaak

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [kak]
Verbuigingen:  kaken (meerv.)

1) lichaamsdeel waar je tanden en kiezen in zitten anatomie
Voorbeeld:  `onderkaak`

2)
aan de kaak stellen  ((iets verkeerds) onder de aandacht brengen) `het wapenmisbruik aan de kaak stellen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
schandpaal scheepsbeschuit

Spreekwoorden en zegswijzen
• iets aan de kaak stellen (=bekend maken wat niet in orde is)
• aan de kaak stellen (=het 'verkeerde' hekelen of bekend maken)
Naar de spreekwoorden

10 definities op Encyclo
  1. schandpaal
  2. T1: rukwind. T2: bui, opkomende harde wind [zie ook: haak].
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (kaken), [in de ontleedkunde] ) kakebeen, onder- of bovendeel van het aangezigt; wang, bleekbestorven kaken; ingevallen kaken; [figu...
  4. bot waar je tanden en kiezen in zitten vb: hij kreeg bij het vechten een klap tegen zijn kaak iets aan de kaak stellen [duidelijk laten zien dat het verkeerd is]
  5. • [anatomie] het beendergestel dat de mondholte omsluit en waarin de tanden en kiezen geplaatst zijn.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met kaak:
kaakbeenkaakbeenderenkaakchirurgkaakchirurgiekaakgewrichtkaakjekaakklemkaakspecialist

Deze woorden eindigen op kaak:
makaakbovenkaakonderkaak

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. kaak (koekje)
  2. kaak (monddeel)
  3. kaak (rukwind)
  4. kaak (schandpaal)


Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `kaak` kennen.