het jaargetijde

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [ˈjarxətɛidə]
Verbuigingen:  jaargetijde|n (meerv.)

elk van de periodes van drie maanden in een kalenderjaar: lente, zomer, herfst, winter
Voorbeeld:  `De winter is een koud jaargetijde.`
Synoniem:  seizoen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
herfst seizoen

7 definities op Encyclo
  1. Zie seizoen.
  2. elk van de perioden waarin het jaar wordt verdeeld vb: in welk jaargetijde vallen de bladeren van de bomen? Synoniem: seizoen
  3. (ook: seizoen) Jaarlijks terugkerende periode waarin het weer bepaalde kenmerken vertoont. Een belangrijke oorzaak van het ontstaan van seizoenen is de draaiing van de aa...
  4. •een deel van het jaar met unieke eigenschappen.
  5. Synoniem voor seizoen
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met jaargetijde:
jaargetijden

Herkomst volgens etymologiebank.nl
jaargetijde

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 97% van de Vlamingen het woord `jaargetijde`.