ijzelen

werkw.
Uitspraak:  ['ɛizələ(n)]
Vervoegingen:  ijzelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geijzeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

(van regen) meteen bevriezen op de grond
Voorbeelden:  `Het had geijzeld, iedereen ging onderuit.`,
`Het gaat straks ijzelen.`

© Kernerman Dictionaries.

2 definities op Encyclo
  1. • [onpr] [meteorologie] het vallen van onderkoelde regen die eenmaal in aanraking met de grond bevriest. •tweede betekenisomschrijving. •enz.
  2. 1) Rijpen 2) Winterse neerslag geven 3) Weersverschijnsel
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op ijzelen:
gijzelenverbrijzelen

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `ijzelen`.