de haak

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [hak]
Verbuigingen:  haken (meerv.)

1) gebogen stuk metaal om iets aan op te hangen of vast te maken
Voorbeelden:  `een schilderij aan een haak in de muur ophangen`,
`trekhaak`
op een haakje zetten  ((een openstaande deur of raam) vastzetten met een metalen stokje)
(iemand) aan de haak slaan  (een partner bemachtigen)
Daar zitten veel haken en ogen aan.  (dat is lastiger dan je zou denken)

2)
niet in de haak zijn  (niet in orde zijn) `Dat hypotheekadvies is niet in de haak.` Synoniem: niet kloppen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
accolade ophanghaak tekenhaak trekhaak

Spreekwoorden en zegswijzen
• niet in de haak zijn (=er klopt iets niet)
• de fiets aan de haak hangen. (=stoppen met wielrennen.)
• aan de haak slaan (=te pakken krijgen)
Naar de spreekwoorden

21 definities op Encyclo
  1. 1. andere naam voor haakbus 2. andere naam voor crochet
  2. 1. rukwind; in gebieden van windstilte wordt een tropische bui vaak door haken voorafgegaan. `Met haken waaien`, `haakwinden`. Het is niet onmogelijk dat dit woord een ve...
  3. andere naam voor haakbus; andere naam voor crochet.
  4. Bocht die de hond in het veld maakt.
  5. ascogene hyfen (dikaryotisch !) gaan aan hun top (net voor de vorming van een ascus) ombuigen en een haak of crozier vormen, waarin de twee kernen naast elkaar liggen; er...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met haak:
haak aanhaak afhaak inhaak loshaakbushaakjehaakjeshaaknaaldhaakneuzenhaakploeghaakploegenhaakshaakte

Deze woorden eindigen op haak:
vleeshaakblokhaakweerhaakpunthaaknestelhaakveterhaakschaakkoffiehuisschaakspeel schaakzethaakcomputerschaaktrekhaakzwaaihaakvishaakwinkelhaakroerhaak

Herkomst volgens etymologiebank.nl
haak (aan het uiteinde omgebogen voorwerp)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `haak` kennen.