gapen

werkw.
Uitspraak:  xapə(n)]
Verbuigingen:  gaapte (verl.tijd enkelv.)
Verbuigingen:  heeft gegaapt (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) uit vermoeidheid of verveling je mond willekeurig wijd opendoen en daarbij diep ademhalen
Voorbeeld:  `Hij zat de hele avond alleen maar te gapen.`
Synoniem:  geeuwen

2) wijd openstaan
Voorbeelden:  `een gapende afgrond`,
`een gapende wond`

© Kernerman Dictionaries.

Spelling
Correct gespeld: 'gapen' komt voor in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie en in de spellingwoordenlijst van OpenTaal.

Spreekwoorden en zegswijzen
 vroeger, toen kraaiden de hanen nog. Tegenwoordig gapen ze alleen nog maar, zei de dove. (=veranderingen in een situatie zijn vaak niet feitelijk, maar een subjectieve beleving.)
 gapen als een oester die in de warmte komt (=met de wond wijd open geeuwen)
 gapen als een oester (=met de mond wijd open geeuwen)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met gapen een ander begrip versterken?
gapend gat; gapende wond;

Deze woorden eindigen op gapen:
 aangapen apegapen vergapen

11 definities op Encyclo
I.) • [inerg] heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan.
II.) Het openstaan van een naad tussen twee planken.
III.) Let op: Spelling van 1858 heeten in Oost-Vriesland de vuurbaken of lichttorens
IV.) Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik gaapte, heb gegaapt), den mond wijd openzetten, geeuwen; [figuurlijk] niet wel sluiten; hij gaapt wijd, hij vr...
V.) Uit `De lagere vaktalen: Timmermanstaal` 1914 't openstaan van een naad tusschen twee planken.
Toon uitgebreidere definities

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `gapen`.

Herkomst volgens etymologiebank.nl
gapen (geeuwen)