duchten

werkw.
Uitspraak:  [ˈdʏxtə(n)]
Vervoegingen:  duchtte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geducht (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

bang zijn voor
Voorbeeld:  `de dood duchten`
Synoniem:  vrezen
te duchten hebben van  (bang zijn voor; last hebben van) `Dat bedrijf heeft te duchten van de concurrentie.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
schromen vrezen

4 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] (ik duchtte, heb geducht), vreezen. *...IG, [bijvoegelijk naamwoord] en [bijwoord] [figuurlijk...
  2. er angst voor voelen vb: je hebt niets van hem te duchten Synoniem: vrezen
  3. 1) Ontzien 2) Redouteren 3) Schromen 4) Vrezen
  4. vrezen Jaar van herkomst: 1265-1270 (CG Lut.K )
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
duchten (vrezen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 94% van de Nederlanders en 87% van de Vlamingen het woord `duchten`.