de boel

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [bul]
Verbuigingen:  boel|en (meerv.)

1) alles wat in huis is
Voorbeeld:  `de boel kort en klein slaan`

2) rommelige dingen
Voorbeeld:  `de boel opruimen`

3) toestand
Voorbeeld:  `Het is hier een smerige boel.`
de boel de boel laten  (alles in de steek laten om iets anders te gaan doen)

4) veel
Voorbeeld:  `een boel mensen`
Synoniem:  heleboel

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
bedoening bullen drom heleboel hoop massa menigte schare stapel tas troep

Spreekwoorden en zegswijzen
• de boel in het honderd sturen (=in de war maken/verstoren)
• de boel erbij neergooien (=ermee stoppen)
• de boel aan kant doen/maken (=opruimen)
Naar de spreekwoorden

6 definities op Encyclo
  • minnaar
  • grote hoeveelheid, groot aantal vb: er zijn een boel mensen op straat Synoniemen: hoop massa stoot veel bende talrijk tig ettelijke Tegenstelling: enkel [4] de dingen in ...
  • •een verzameling van zaken. • [informeel] de gang van zaken. • [informeel] een grote hoeveelheid.
  • grote hoeveelheid - Jaar van herkomst: 1785 (WNT winst ) inboedel - Jaar van herkomst: 1460-1470 (Latijns-Middelnederlands Vocabularius, hs. 19.590 Brussel )
  • [Soldatentaal, 1914] de boel inleveren: afgeven wat men van het Rijk in gebruik heeft.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met boel:
    boeleerboeleerdeboeleerdenboeleertboelerenboelijn

    Deze woorden eindigen op boel:
    buitenboelheleboeljanboelwarboelzwijnenboel

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. boel (inboedel, grote hoeveelheid)
    2. boel (overspelige)