het bezoek

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [bəˈzuk]
Verbuigingen:  bezoek|en (meerv.)

1) de keer dat je iemand bezoekt
Voorbeelden:  `een bezoek afleggen/brengen aan een oude vriend`,
`op bezoek gaan bij opa en oma`,
`bezoekuur`,
`theaterbezoek`

2) de mensen die bezoeken
Voorbeeld:  `Het bezoek is gearriveerd.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanloop visite

Spreekwoorden en zegswijzen
bezoek en vis blijven drie dagen fris (=je moet geen gasten te lang laten logeren want dan ga je je aan hun gewoonten ergeren)
• alle kusten bezoeken (=met allerlei slecht volk omgaan)
Naar de spreekwoorden

4 definities op Encyclo
  1. het naar iemand toe gaan vb: we gaan op bezoek bij Ahmed Synoniem: visite de mensen die naar iemand toe gaan vb: het bezoek bleef niet lang Synoniem: visite
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: o. (-en), visite; een - brengen aan; een - afleggen bij; personen die iemand bezoeken, het - was bijeen, - hebben, - krijgen. ~EN, [bed...
  3. •het bezoeken. •de personen die op visite zijn of komen.
  4. 1) Aanloop 2) Aanloop van gasten 3) Eters 4) Gasten 5) Loop 6) Opwachting 7) Over de vloer 8) Visite 9) Volk 10) Volk in huis 11) Waardschap
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met bezoek:
bezoekduurbezoekenbezoekerbezoekersbezoekerscentrumbezoekingbezoekingenbezoektbezoekuur

Deze woorden eindigen op bezoek:
bliksembezoekblitzbezoekkraambezoekwerkbezoekdoktersbezoekstaatsbezoekziekenhuisbezoekziekenbezoektandartsbezoektegenbezoek

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `bezoek` kennen.