het bezoek

zelfst.naamw.
Uitspraak:  [bəˈzuk]
Verbuigingen:  bezoek|en (meerv.)

1) de keer dat je iemand bezoekt
Voorbeelden:  `een bezoek afleggen/brengen aan een oude vriend`,
`op bezoek gaan bij opa en oma`,
`bezoekuur`,
`theaterbezoek`

2) de mensen die bezoeken
Voorbeeld:  `Het bezoek is gearriveerd.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanloop visite

Spreekwoorden en zegswijzen
bezoek en vis blijven drie dagen fris (=je moet geen gasten te lang laten logeren want dan ga je je aan hun gewoonten ergeren)
• alle kusten bezoeken (=met allerlei slecht volk omgaan)
Naar de spreekwoorden

Taaladvies
Is Zuid-Afrikabezoek correct geschreven? Zie Zuid-Afrikabezoek

4 definities op Encyclo
  • (Engels: Visit). Een verzameling pageviews opgevraagd door één bezoeker, binnen een bepaalde tijdslimiet. Meestal is deze tijdslimiet 30 minuten, maar dit kan afwijken ...
  • •het bezoeken. •de personen die op visite zijn of komen.
  • het naar iemand toe gaan vb: we gaan op bezoek bij Ahmed Synoniem: visite de mensen die naar iemand toe gaan vb: het bezoek bleef niet lang Synoniem: visite
  • 1) Aanloop 2) Aanloop van gasten 3) Eters 4) Gasten 5) Loop 6) Opwachting 7) Over de vloer 8) Visite 9) Volk 10) Volk in huis 11) Waardschap
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met bezoek:
    bezoekduurbezoekenbezoekerbezoekersbezoekerscentrumbezoekingbezoekingenbezoektbezoekuur

    Deze woorden eindigen op bezoek:
    bliksembezoekblitzbezoekdoktersbezoekkraambezoekstaatsbezoektandartsbezoektegenbezoekwerkbezoekziekenbezoekziekenhuisbezoek