de baan

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [ban]
Verbuigingen:  banen (meerv.)

1) regelmatig werk waarvoor je loon krijgt
Voorbeelden:  `een drukke baan`,
`een parttime baan`,
`zijn baan verliezen`,
`een baantje zoeken om wat bij te verdienen`

2) <vooral in samenstellingen en uitdrukkingen>
stuk grond dat voor een specifiek doel wordt gebruikt
Voorbeelden:  `rijbaan`,
`tweebaansweg`,
`landingsbaan`,
`golfbaan`,
`tennisbaan`,
`wedstrijdbaan`
het is van de baan  (het gaat niet door)

3)
een baantje trekken  (heen en weer zwemmen in een zwembad)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afstand baanvak betrekking breedte circuit dienstbetrekking etappe functie ijsbaan job landingsbaan pad parcours positie rails rijbaan rijstrook rijweg ronde route spoor spoorbaan spoorweg straat straatweg strook tournee traject weg werk werkkring werkplek

Spreekwoorden en zegswijzen
• van de baan (=niet meer van toepassing)
• ruim baan maken (=voldoende plaats maken)
• op de lange baan schuiven (=langdurig uitstellen)
• op de baan lopen (=tippelen)
• iets op de lange baan schuiven (=iets uitstellen)
Toon alle 7 spreekwoorden die baan bevatten

Taaladvies
  1. Bedding / baan: Hebben bussen, trams en treinen een eigen bedding of een eigen baan?
  2. Baan / weg: Is baan in Je hoeft alleen de oude baan te volgen om in de dorpskern te komen correct?
  3. Job / baan: Wat is juist: Ik heb een baan met veel verantwoordelijkheden of Ik heb een job met veel verantwoordelijkheden?


Intensiveringen
Hoe kun je baan krachtiger uitdrukken?
luizenbaan;

25 definities op Encyclo
  1. Een door een werkzame persoon bezette arbeidsplaats. Een werkzame persoon kan meerdere banen naast elkaar hebben. In dat geval wordt van een hoofd- en een bijbaan gesprok...
  2. Weg die een hemellichaam beschrijft. Planeten staan niet stil in de ruimte. Ze draaien om de zon. Hun plaats tussen de sterren verandert hierdoor. Je kunt de beweging van...
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (banen), uitgestrektheid; volle breedte van stof; uit de - knikkeren, onderkruipen; ter bane brengen, bespreken; ruim - maken, de - ...
  4. wildbaan
  5. Uit `De lagere vaktalen: Taal der Loodgieters, zinkbewerkers en gasfitters` 1914 voorvlak van 'n hamer; ondervlak (zool) van 'n schaaf.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met baan:
baanbrekendbaanbrekerbaanbrekersbaancommissarisbaancommissarissenbaandebaandenbaanfietsbaanloosbaanloosheidbaanrecordbaanrestaurantbaantbaanvakbaanvakkenbaanvegerbaanvegersbaanvlakbaanwachterbaanwachters
Toon alle woorden die beginnen met baan

Deze woorden eindigen op baan:
achtbaanArubaanatletiekbaanautobaanbijbaanbinnenbaanbobsleebaanbuitenbaanbusbaanCubaanduobaanglijbaangolfbaangrasbaanijsbaankabelbaankunstijsbaanlandingsbaanloopbaanskatebaan
Toon alle woorden die eindigen op baan

Herkomst volgens etymologiebank.nl
baan (weg, pad; betrekking)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `baan` kennen.