Woorden.org



appel


I appel


Zelfst. Naamw.


Meervoud van appel.
Correct zijn 1: appelen 2: appels

[Culinair] ronde, harde, zoetzure vrucht met een klokhuis waarin donkere pitjes zitten
  `rodekool met appeltjes`
De appel valt niet ver van de boom. (= kinderen hebben vaak hetzelfde karakter als hun ouders)
een appeltje voor de dorst bewaren (= iets als reserve voor moeilijke tijden bewaren)
voor een appel en een ei (= heel goedkoop)
door de zure appel bijten (= iets vervelends verdragen)
appels met peren vergelijken (= verschillende dingen met elkaar vergelijken terwijl dat eigenlijk niet kan)

II appel


Uitspraak: ɑˈpɛl
het -woord
Zelfst. Naamw.


1


beroep
een appel doen op iemand (= vragen of iemand iets wil doen)
een appel op het geheugen doen (= iets met moeite herinneren)
appel aantekenen tegen een uitspraak

2


bijeenkomst om te zien of iedereen er is
appel houden/blazen (= iedereen bij elkaar roepen)


Hoe kun je met appel een ander begrip versterken?
appelrond; murw als een gebraden appel;


Tip: Na het opzoeken ziet u in de rechterkolom of een woord wel of niet goed is gespeld.

Over woorden.org | Gebruikersvoorwaarden| Woord begint met...
© 2010 Woorden.org
© 2010 K Dictionaries Ltd. All rights reserved
© 2010 Onder Woorden

Woorden.org

Woorden.org is een gratis te raadplegen woordenboek voor de Nederlandse taal. U vindt hier -waar aanwezig- de betekenis, de schrijfwijze of de uitspraak van circa 170.000 woorden.

Spelling

Correct gespeld: 'appel' komt voor in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie en in de spellingwoordenlijst van OpenTaal.

Definities

29 definities gevonden op Encyclo
3 synoniemen gevonden op MWB
Meer info in het WikiWoordenboek
Zoek appel op met Google

Recent gezocht

Tussen haakjes staat het aantal karakters van de omschrijving.
appel (1666)
goochemerd (86)
intrinsiek (363)
skateboardden (101)
autoritair (299)
volhard (212)
ijdeltuiten (162)
schraalden (93)
werkkleding (179)
B-kant (98)
vermetelheid (67)
Thai (192)
offset (230)
plenair (144)
medicalisering (235)
zakte (166)
najade (103)
la (210)
PA (46)
bemerken (108)
stapelmarkt (405)
verstrekken (293)
druil (50)
cabaleur (90)