afzeggen

werkw.
Uitspraak:  ɑfsɛxə(n)]
Vervoegingen:  zegde af, zei af (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft afgezegd (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

zeggen dat je iets wat afgesproken was toch niet zult doen
Voorbeelden:  `een afspraak afzeggen`,
`een optreden afzeggen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afbellen afbestellen afblazen afgelasten afhaken afvallen afzien van annuleren eruitstappen intrekken niet laten plaatsvinden nietig verklaren opgeven ophouden stoppen

2 definities op Encyclo
  1. • [ov] aangeven dat men niet gaat komen.
  2. 1) Afbellen 2) Afbestellen 3) Afblazen 4) Afgelasten 5) Afhaken 6) Aflasten 7) Afspraak herroepen 8) Afvallen 9) Annuleren 10) Bedanken 11) Eruitstappen 12) Herroepen 13)...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
afzeggen

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `afzeggen`.