de aanspraak

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  ansprak]
Verbuigingen:  aan|spraken (meerv.)

1)
weinig aanspraak hebben  (zelden met iemand praten en daardoor een beetje eenzaam zijn)

2)
aanspraak maken op iets  (zeggen dat je recht op iets hebt) `aanspraak maken op een erfenis`

3)
aanspraken  (zaken waarop je recht hebt) `een contractpartij vrijwaren voor aanspraken van derden`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
claim recht rechtsgrond rechtstit rechtstitel tit titel

11 definities op Encyclo
  • (oude rechtstermen:) eis
  • •recht om het bezit of genot van iets te vorderen. •gelegenheid om te praten.
  • gelegenheid om met iemand te praten vb: ik houd ervan om een beetje aanspraak te hebben het bezit of het gebruik ervan kunnen opeisen vb: jij kunt geen aanspraak maken op...
  • woord uit 1812, uitleg bij teksten van E.J. Potgieter (1808 - 1875) redevoering.
  • 1) Claim 2) Eis 3) Gelegenheid om met iemand te praten 4) Pretentie 5) Recht 6) Recht om te eisen 7) Recht om te vorderen 8) Rechtsgrond 9) Rechtstitel 10) Toespraak 11) ...
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met aanspraak:
    aanspraaktest

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    aanspraak (gelegenheid om iemand te spreken; recht om bezit of gebruik van iets te vorderen)