Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vrouw`

  1. een dronken vrouw is een engel in bed (=drank draagt bij aan het beëindigen van de tegenstand)
  2. een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets (=feministische uitspraak)
  3. er gezien zijn als een rotte appel/kool bij een fruitvrouw/groenvrouw (=er niet erg welkom zijn)
  4. ergens gezien zijn als een rotte kool bij een groenvrouw (=er niet graag gezien zijn)

12 betekenissen bevatten `vrouw`

  1. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan. (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden.)
  2. bij die twee heeft zij de broek aan. (=bij dat echtpaar neemt de vrouw de meeste beslissingen.)
  3. geen pot zo scheef of er past een deksel op (=bij iedere man past wel een vrouw (en omgekeerd))
  4. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  5. een tang van een wijf. / Een oude tang. (=een heks, feeks. / Een oude lastige vrouw.)
  6. een bedrijvige Martha zijn (=een zeer ijverige vrouw zijn)
  7. een jatmous van een wijf, maakt de nering stroef en stijf (=het brengt ongeluk als je eerste klant een vrouw is.)
  8. met de linkerhand trouwen (=huwen met een vrouw van lagere adelstand)
  9. men heeft hem de hoorns opgezet. (=iemand (vooral een bekende) heeft een relatie met zijn vrouw.)
  10. Een meid en een aardappel kies je zelf (=Je kunt niet voor iemand anders een vrouw uitzoeken)
  11. witte paarden hebben veel stro nodig. (=pronkzieke vrouwen kosten veel geld.)
  12. hij loopt met hoorntjes. (=zijn vrouw bedriegt hem, heeft een minnaar.)

Het dialectenwoordenboek kent 323 spreekwoorden met `vrouw`

  1. Sevenums: Un vrouwenhank en unne paerdetank stoan noeit stil (=Een vrouwenhand en een paardentand staan nooit stil)
  2. Lebbeeks: Ei lèit er zijn moeits ni over (=vrouwenversierder)
  3. Walshoutems: Een goei djoep (=Goedhartig vrouwmens)
  4. Lokers: ij luept achter zijne sjarel (=Over iemand die steeds op vrouwenjacht is)
  5. Zeeuws: t alleve mudje (=klein vrouwtje)
  6. Staphorsts: doar zit gien vrouwluuvleis an (=een verstokte vrijgezel)
  7. Brussels: goo verzeen van uure en puute (=een vrouw met prominente vrouwelijke kenmerken)
  8. Oudenbosch: dadistereen meej aor op dur taande (=zij is een goedgebekt vrouwspersoon)
  9. Achels: Vrulliehaan en peirdentaan meugen noeijt stilstoan. (=vrouwenhanden en paardentanden mogen nooit stilstaan)
  10. Urkers: wannaar kun je leggen. (=vraag aan zwangere vrouw.Wanneer verwacht je de baby)
  11. Bilzers: vrolaaj haate van simpel zaoke, bevürbeeld van manne (=van vrouwegedachten en winternachten kan je vanalles verwachten)
  12. Epers: Die vrouwe is zo wit äs 'n dôeve (=Die vrouw heeft grijs haar)
  13. Boakels: dê jis un hel weefke (=dat is een pienter vrouwtje)
  14. Weerts: vrouwehang en paerstang moôge noeëts stilstaon (=geen tijd om te rusten)
  15. Maas en waals: Wa 'n keuie! (=Lomp persoon/ vrouwelijk varken/ lelijke dikke vrouw)
  16. Zunderts: een vrouwehaand en ne peerdetaand ston nooit stil (=altijd doorwerken)
  17. Oudenbosch: jaa zee-g ta wel vrouwke (=nou en of meisje)
  18. Zeeuws: allef mudje (=klein dik vrouwtje)
  19. Zwols: Ik lope met mien vrouwe deur 't pärk (=Ik loop met mijn vrouw door het park)
  20. Budels: werse prej (=vrouwelijk geslacht die tegendraads is)
  21. Munsterbilzen - Minsters: ne knijn kan wol goed vermenegvuldege, mèr heilegans nie tëlle (=het leven is méér dan achter de vrouwtjes lopen)
  22. Veurns: 't gespleet'n regiment (=vrouwen)
  23. Sallands: Meanse, bemeuit der oe nie met. (=vrouwe, wat heb ik met u van node)
  24. Tilburgs: ut aaw mêenske rèèrt van de kaaw (=het oude vrouwtje beeft van de kou.)
  25. Moes: een pittig vrouwtje (=een biestje van trekken)
  26. Wichels: Der ês gieë vrâke zu eirm of ze makt eur penneke weirem (=Er is geen vrouwke zo arm of ze maakt haar panneke warm)
  27. Bilzers: das nau és men léste goesteng (=dat vrouwtje bevalt me helemaal niet)
  28. Lebbeeks: ambras: Dau zaa'k toës 'n week ambras vé will'n (=Wat een knap vrouwtje)
  29. Lebbeeks: doeëdzonne: Z'és 'n doeëdzonne wèit (=Ze is een knap vrouwtje)
  30. Westerkwartiers: mien betere helft (=mijn vrouw)
  31. Roeselaars: eun droef keun (=ondeugende vrouw)
  32. Tielts: zjeektrutte (=zeurende vrouw)
  33. Vlijtingens: blèts (=goedgelovige vrouw)
  34. Vlijtingens: tuut (=domme vrouw)
  35. Kessels: det is ein braomel (=labiele vrouw)
  36. Balens: het rijgerd ouw mujers (=het regend oude vrouwen)
  37. Merenaars: me ligtmis ester gi vrouke zu eirm of ze mokt er penneke weirm (=met licht is is er geen vrouwtje zo qrm of ze maakt haar pannetje warm)
  38. Veghels: dr sin 2 sorte vrouwen Koj of hil koj (=er zijn 2 soorten vrouwen)
  39. Munsterbilzen - Minsters: swanjiër zenen haave trouwboek mè goed en maok zen hauswerk mè ielke daog (=verzorg je vrouwtje maar goed en doe goed je echtelijke plichten)
  40. Alblasserdams: zo tochtig as de bezum zijn (=de bekende hoofdpijnsmoes van vrouwen)
  41. Munsterbilzen - Minsters: ne molp mok mei as éé koet (=er meerdere vrouwen op nahouden)
  42. Tilburgs: ge hèt kaoj èn verrèkte kaoj. (=vrouwen zijn er in soorten.)
  43. Sint-Niklaas: schitkongt (=hoovaardige vrouw)
  44. Sinttruins: zoerpraam (=norse vrouw)
  45. Bocholtz: schlons (=slonzige vrouw)
  46. Vlijtingens: wêb (=lichtzinnige vrouw)
  47. Zottegems: dwoaze kalle (=domme vrouw)
  48. Riemsts: sjokoantkoat (=oude vrouw (scheldnaam))
  49. Antwerps: die van oengs (=mijn vrouw)
  50. Moorsel: mouger scherre (=magere vrouw)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen