Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


64 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `voet`

  1. Aan de ene voet een schoen, de ander blootvoets (=Evenwicht is voornaamst)
  2. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  3. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  4. aan iemands voeten liggen (=iemand vereren, een absolute fan van iemand zijn)
  5. als het voeten heeft (=als de omstandigheden gunstig zijn)
  6. dat heeft nogal wat voeten in de aarde (=dat is moeilijk te realiseren)
  7. de regels met voeten treden (=overtreden, voorschriften niet opvolgen / onbehouwen te werk gaan)
  8. de voet dwars zetten (=iets verhinderen of bemoeilijken)
  9. een ongeluk komt te paard en gaat te voet (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan)
  10. een reus op lemen voeten (=schijnbaar sterk maar in feite zwak)
  11. Een ridder te voet zijn. (=Niets meer hebben)
  12. een voet in de stijgbeugel hebben (=uitzicht hebben op bevordering)
  13. een voetveeg zijn (=iemand zijn die voor minderwaardige klusjes gebruikt wordt)
  14. een wit voetje halen (=een goede indruk maken bij de leider(s))
  15. een ziekte komt te paard en gaat te voet (=men wordt snel ziek maar genezen duurt lang)
  16. Een ziekte komt te paard en gaat te voet. (=Snel ziek worden, maar langzaam genezen)
  17. geen voet verzetten (=niet bewegen - niets willen doen)
  18. geen voetbreed wijken (=hard op zijn standpunt blijven)
  19. het gras voor de voeten wegmaaien (=de woorden uit de mond nemen - alle kansen ontnemen)
  20. Het komt te paard en het gaat te voet. (=Ziekte en ongeluk komen vaak heel plotseling, maar het duurt lang voordat men weer hersteld is)
  21. Hij is ridder te voet geworden (=zijn rijkdom is verdwenen)
  22. iemand de voet dwars zetten (=tegenwerken)
  23. iemand de voet kussen (=erg onderdanig naar iemand doen)
  24. iemand de voet lichten (=iemand op gemene manier de baan afnemen)
  25. iemand de voeten spoelen (=iemand doen verdrinken / in zee verdrinken)
  26. iemand het gras voor de voeten wegmaaien (=iemand alle kansen ontnemen)
  27. iemand iets voor de voeten gooien (=iemand met iets confronteren)
  28. iemand iets voor de voeten werpen (=iemand beschuldigen van iets)
  29. iemand van het hoofd tot de voeten meten (=iemand heel nauwkeurig onderzoeken)
  30. iemands voetstappen drukken (=iemands voorbeeld volgen of hetzelfde beroep gaan doen)
  31. iemands voetveeg zijn (=iemands slaaf zijn (zich alles moeten laten welgevallen))
  32. iets voetstoots aannemen (=iets geloven zonder bewijs )
  33. iets voor het voetlicht brengen (=iets onder de aandacht brengen)
  34. je kunt niet met twee voeten in één sok (=twee onverenigbare zaken kunnen niet worden gecombineerd)
  35. jong te paard, oud te voet (=als je in je jeugd erg wordt verwend, krijg je het later erg moeilijk)
  36. Jong te paard, oud te voet. (=Wie in zijn jonge jaren verkwistend is, moet op zijn oude dag zuinig zijn)
  37. met één voet in het graf staan (=iemand gaat bijna dood)
  38. met iemand zijn voeten spelen (=iemand voor de gek houden)
  39. onder de voet geraken (=uitgeput raken, ziek worden)
  40. onder de voet raken (=vallen)
  41. op de voet volgen (=stap voor stap volgen)
  42. op dezelfde voet voortzetten (=op dezelfde manier)
  43. op gespannen voet (zijn) (=moeilijk met elkaar omgaan, ruzie)
  44. op goede voet staan met iemand (=goed kunnen opschieten)
  45. op grote voet leven (=veel geld uitgeven)
  46. op kousenvoeten (=stilletjes, ongemerkt)
  47. op staande voet (=met onmiddellijke ingang)
  48. op voet van oorlog zijn/leven (=erge ruzie hebben)
  49. reageren met de voeten (=door ergens weg te gaan, weg te blijven of niet meer terug te keren, aangeven dat men niet tevreden is)
  50. ten voeten uit (=letterlijk: de volledige gestalte is afgebeeld; figuurlijk: een getrouwe persoonsbeschrijving)

6 betekenissen bevatten `voet`

  1. met de benenwagen (=te voet)
  2. op het apostelpaard rijden (=te voet gaan)
  3. de kuierlatten nemen (=te voet gaan)
  4. Met de paarden van Sint Franciscus. (=Te voet gaan)
  5. schampavie spelen (=zich heimelijk uit de voeten maken)
  6. de hakken laten zien (=zich uit de voeten maken)

Het dialectenwoordenboek kent 133 spreekwoorden met `voet`

  1. brabants: kauw voet (=koude voeten)
  2. Munsterbilzen - Minsters: spiëlerke van men K. (=slap voetballerke)
  3. Ninoofs: potstamper (=slecht voetballer)
  4. Tilburgs: bij et voetballe wier ie ontiegelek teege zene mik geschupt. (=bij het voetballen werd hij verschrikkelijk in zijn kruis geschopt.)
  5. Tilburgs: ut bluujke heej kaaw vuutjes (=het kindje heeft koude voetjes)
  6. Arnhems: Die gàste sin goed jung, die zitten ondor voetbal (=Zij kunnen goed voetballen)
  7. Wommersoms: ig zen voetch (=ik vertrek)
  8. Mechels (BE): De kakkers (=Die van KVM (voetbalploeg))
  9. Moes: giën voetgetij emmen (=de kans niet krijgen)
  10. Munsterbilzen - Minsters: ze sjoeën on de naogel hange (=stoppen met voetballen)
  11. Diesters: das van men kloeëte ( voete ) (=dat is balen)
  12. Zottegems: ge kun nog gien ei in tweeje stapmn (=jij kan niet voetballen)
  13. Westerkwartiers: da's nou 'n spul van kolle voet'n (=dat is nou wat van niks)
  14. Zeels: 't ang mijn voet'n uit (='t steekt mij tegen)
  15. Sint-Niklaas: min voeten singelen, min voeten zin voûs (=mijn voeten tintelen)
  16. Harelbeeks: J'ee zyn voet'n ip 't drwugge (=Hij heeft rijkdom vergaard)
  17. Tongers: mètte voettram (=te voet)
  18. Diesters: iemant me zen kloeëte ( voete ) spele, koejoneere (=iemand plagen)
  19. Eindhovens: wit voetje, bruun èrmke haolen (=slijmen bij de baas)
  20. Kortrijks: Ie kan nog ip geen ei skipp'n (=hij kan niet voetballen)
  21. Lichtervelds: je lat tgès van voî ze voetn moajn (=hij laat gemakkelijk iets afnemen)
  22. Veurns: mi tram elve (=te voet)
  23. Diesters: met de bieënentram (=te voet)
  24. Munsterbilzen - Minsters: het sjoeët em ènt verkeirde koet (=de voetballer schoot de bal mis)
  25. Mechels (BE): ne racingmarginaal (=die kent niets van voetbal)
  26. Westerkwartiers: dat haar veul voet'n ien 'e oarde (=dat ging met pijn en moeite)
  27. Westerkwartiers: 't wordt 'em hiet onner de voet'n (=hij krijgt het behoorlijk benauwd)
  28. Diesters: em et e ferm stuk in zenne kollee ( frak; voete ); ij was stiepelzat (=hij was goed dronken)
  29. Walshoutems: Ich hêb menne voet ûmgeklunke. (=Ik heb mijn voet verzwikt, verstuikt.)
  30. Mestreechs: mèt han en veuj (=met handen en voeten)
  31. Veurns: ze puuste scheur'n (=zich uit de voeten maken)
  32. Ninoofs: schampavie speel'n (=zich uit de voeten maken)
  33. Oudenaards: pletse boarvoets (=op blote voeten)
  34. Gents: op eu pletse luupe (=op blote voeten lopen)
  35. Munsterbilzen - Minsters: tès wir groemeles (=naar zijn voeten krijgen)
  36. Munsterbilzen - Minsters: zen saus krijge (=naar zijn voeten krijgen)
  37. Waregems: wigspoottren (=zich uit de voeten maken)
  38. Munsterbilzen - Minsters: kommendant vant sjijthaus (=baas van mijn voeten)
  39. Diesters: tege zen shokedaze krage (=onder zijn voeten krijgen)
  40. Mols: dao kunde patatten op zoaje (=vuile voeten)
  41. Brakels: omgekirt afgetrok'n (=met de voeten eerst geboren)
  42. Moes: snoek emmen (=natte voeten hebben)
  43. Overpelts: huft ouw puut op (=hef je voeten op)
  44. Bilzers: haat zen zokke mèr aon (=voeten vegen, aub)
  45. Hals: voet (=vaart)
  46. Peers: alle hondsgezèke (=veelvuldig, herhalend, alle 5 voet)
  47. Veurns: mi tram elve rieën (=te voet gaan)
  48. Mestreechs: de poet stief hawwe (=voet bij stuk houden)
  49. Munsterbilzen - Minsters: de paut stijf haage (=voet bij stek houden)
  50. Kortrijks: Teure moa deure en gertje vwoa splenters (=Maak je uit de voeten.)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen