Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

14 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `varen`

  1. als Hollands welvaren (=blakend van gezondheid)
  2. hij is lelijk ten haring gevaren (=hij heeft zwaar pech gehad)
  3. Hollands welvaren (=gezegd van een zeer gezond uitziend persoon)
  4. in het schuitje zitten en mee moeten varen (=mee moeten doen, zich niet meer kunnen terugtrekken)
  5. in hetzelfde schuitje varen/zitten (=met dezelfde omstandigheden te maken hebben, vrijwel dezelfde situatie)
  6. in iemands kielzog varen (=het net zo doen als iemands voorganger)
  7. met iemand in een schuitje varen/zitten (=hetzelfde lot ondergaan)
  8. met iemands schuitje varen (=hetzelfde lot ondergaan)
  9. met onbevaren volk is het slecht zeilen (=met onervaren mensen is het moeilijk werken)
  10. onder valse vlag varen (=zich voordoen als een ander of zich anders voordoen)
  11. varen waar de grote mast vaart (=klakkeloos de baas volgen)
  12. voor halve vracht meevaren (=weinig gewaardeerd worden)
  13. wie in het schuitje zit moet meevaren. (=wie ergens mee begonnen is moet dit ook afmaken)
  14. wie scheep is moet varen (=als je ergens aan begonnen bent moet je er mee voortdoen)

15 betekenissen bevatten `varen`

  1. als oude honden blaffen, is het tijd om uit te zien. (=als ervaren mensen waarschuwen moet je luisteren.)
  2. van leer trekken (=beginnen met vechten, duidelijk laten merken dat iets als vervelend ervaren wordt)
  3. het ruime sop kiezen (=de haven uitvaren)
  4. de zee ploegen (=de zee bevaren)
  5. een oude rat/rot (=een ouder ervaren persoon)
  6. vuur en vlam spuwen (=erg hevig uitvaren)
  7. iemand op zijn zeer trappen (=ergens over praten wat door iemand als erg onplezierig ervaren wordt)
  8. de fiolen van zijn toorn uitstorten (=heftig uitvaren)
  9. met onbevaren volk is het slecht zeilen (=met onervaren mensen is het moeilijk werken)
  10. niet graag in iemand schoenen staan (=niet graag willen ervaren hoe het is iemand anders te zijn die in een moeilijke of onprettige situatie zich bevindt)
  11. nog nat(/ niet droog) achter de oren zijn. (=nog uiterst onervaren zijn, zodat men er niet over mee kan praten)
  12. elke bos stro waait voor de wind. (=onder makkelijke omstandigheden kan iedereen welvaren of iets uitvoeren.)
  13. het klappen van de zweep kennen (=precies weten hoe het eraan toegaat, ervaren zijn)
  14. tegen windmolens vechten (=tegen irreëele gevaren/zaken vechten)
  15. zijn tanden laten zien. (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn.)

Het dialectenwoordenboek kent één spreekwoord met `varen`

  1. Bilzers: doë moeste gee graos lette iëver wasse (=die kans mag je niet laten varen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen