Spreekwoorden

Zoek

23 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `steen`

  1. daar kan de schoorsteen niet van roken (=dat brengt niets op / men kan niet alleen van vriendelijke woorden leven)
  2. daar moet de schoorsteen van roken. (=dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan.)
  3. dat is een steen van mijn hart (=dat is een hele opluchting)
  4. de eerste steen werpen (=de eerste zijn met beschuldigingen)
  5. de gestage drup holt de steen (uit). (=door het vol te houden wordt uitwindelijk wel het doel bereikt)
  6. de steen der wijzen zoeken (=een oplossing zoeken voor iets wat bijna niet op te lossen is)
  7. een ezel stoot zich geen tweemaal aan dezelfde steen (=men maakt geen twee keer dezelfde fout)
  8. een hart van steen hebben (=geen medelijden met anderen hebben)
  9. een huishouden van Jan steen. (=een rommelig huishouden hebben)
  10. een rollende steen vergaart geen mos. (=iemand die slechts kort ergens werkzaam is komt niet vooruit)
  11. een steen des aanstoots (=een ernstige hindernis, een hinderlijk persoon)
  12. een steen van het hart zijn (=een grote opluchting zijn)
  13. een steentje bijdragen (=een kleinigheid aan het grote geheel bijdragen)
  14. geen steen op de andere laten (=alles in het werk stellen)
  15. helse steen (=in staafjes gegoten zilvernitraat)
  16. het huishouden van Jan steen (=een slordige boel)
  17. men moet niet de eerste steen werpen (=men moet niet als eerste verwijten formuleren)
  18. met een baksteen in de maag geboren worden. (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is.)
  19. steen des aanstoots. (=iets waaraan men zich ergert.)
  20. steen en been klagen. (=luid en heftig klagen.)
  21. steenrijk (=uitzonderlijk rijk.)
  22. van liefde rookt de schoorsteen niet (=van de liefde alleen kan je niet leven)
  23. zinken als een baksteen (=direct zinken (niet kunnen zwemmen))

Eén betekenis bevat `steen`

  1. psalmen zingen (=schuren met baksteen en zand)

Het dialectenwoordenboek kent 29 spreekwoorden met `steen`

  1. Ninoofs: dieje grond es oejtgeprest (=afgegraven grond (steenbakkerij))
  2. Sint-Niklaas: ne steenezel (=een zeer koppige man)
  3. Munsterbilzen - Minsters: ich hoef geen honned te wiëne, niëge-en-niëgetëg ès genoeg (=steenoud hoef ik niet te worden !)
  4. Westerkwartiers: 't is of de steen'n sprook'n hemm'n (=het is toch uitgelekt)
  5. Sint-Niklaas: kèn e stientsjen op min steir gekregen (=ik heb een steentje op mijn hoofd gekregen)
  6. Overmeers: ne waugen stieënkool (=een grote kar steenkool)
  7. Oudenbosch: in steenbaarge naor de kerk gewiest zijn (=niet in de mis geweest zijn)
  8. Weerts: Dae es neet zoeë stóm asse steenktj (=Die laat zich niet voor de gek houden)
  9. Rijssens: a't aj brek zu'j s zeen wo steenkn (=als die opzet mislukt komt er wat los)
  10. Steenbergs: 'Et is toch wèèrd ééj? (=Schandalig!)
  11. Meerhouts (Gestel): nen hiejelen oaker petetten oan énnen buist en da fleus tegen de zitterse stiejeweg (of boan) (=een ganse emmer aardappelen aan één struik en dat straks tegen de zittaartse steenweg)
  12. Steenbergs: Da's nogal wiedus ééj? (=Dat is toch overduidelijk?)
  13. Steenbergs: Te lijk gaon. (=Naar een begrafenis gaan)
  14. Steenbergs: wà mo'k nou (=wat moet ik nu)
  15. Steenbergs: laat ze de bout àkkelen (=laat ze barsten)
  16. Westerkwartiers: hij klagt steen en been (=hij klaagt nogal wat)
  17. Bilzers: nie op ne kaaë steen gevalle (=niet in dovemansoren gevallen)
  18. Graauws: ge kom slimmer van de mart als agger naor toe gaot (=een ezel stoot zich geen tweemal aan een steen)
  19. Westerkwartiers: 't is doar 'n huusholling van jan steen (=het is daar een janboel)
  20. Sint-Niklaas: va zèn ert ne steen moaken (=iets doen zonder veel goesting)
  21. Steenbergs: SPEULE, SPEULE, SPEULE!!! (=we want more of bis, bis, bis)
  22. Bilzers: tvries steen autte grond (=het vriest dat het kraakt)
  23. Steenbergs: Ik 'eb er gin dol mee. (=Bij mij gaat het als vanzelf.)
  24. Steenbergs: Ik 'eb 'et je nog zo gezeed ge'ad! (=Ik heb het je nog gezegd!)
  25. Steenbergs: Achterom is't kerremis! (=Kom maar langs de achterdeur (de voordeur is voor u te goed))
  26. Bilzers: ne kaole steen konste nie ville (=als je niets bezit, kan men je niets afnemen)
  27. Volendams: eh jzulle erh nei met steen (=zeven kopjes koffie in de zee gooien)
  28. Westerkwartiers: het gijt deur al moet d'onnerste steen boov'm komm'n (=het gaat hoe dan ook door)
  29. Munsterbilzen - Minsters: aster nie viël te doen wos, sjikden oos aars os noë t veld vür dikke steen te raope van den akker en daaj moeste v¨r ènnet kaarspoër umkippe (=als terapie moesten we van onze ouder ook dikke keien rapen van de akkers en daarmee de karsporen vopvullen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.