Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

24 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `rouw`

  1. berouw komt na de zonde (=als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw)
  2. dat brengt leven in de brouwerij (=dat maakt het minder saai)
  3. een dronken vrouw is een engel in bed (=drank draagt bij aan het beëindigen van de tegenstand)
  4. een tien met een griffel en een zoen van de juffrouw. (=in de volksmond: De beste beloning voor een 19e eeuws schoolkind.)
  5. een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets (=feministische uitspraak)
  6. er gezien zijn als een rotte appel/kool bij een fruitvrouw/groenvrouw (=er niet erg welkom zijn)
  7. er niet aan getrouwd zijn (=er niet aan vastzitten, er niet toe verplicht zijn)
  8. er niet mee getrouwd zijn (=er niet aan vastzitten, er niet toe verplicht zijn)
  9. ergens gezien zijn als een rotte kool bij een groenvrouw (=er niet graag gezien zijn)
  10. getrouwd zijn over de puthaak (=onwettig samenwonen)
  11. het is altijd rouwen en trouwen (=het leven is een afwisseling van goede en slechte tijden)
  12. het is een hopje in een brouwketel (=het is zo goed als niets)
  13. het is kruis of munt, zei de non en ze trouwde de bankier. (=een keuze voor het materiële kan ten koste gaan van het spirituele.)
  14. hou en trouw (beloven) (=elkaar overal (zullen) helpen)
  15. iemand van kwade trouw verdenken (=verdenken dat iemand bedriegt)
  16. leven in de brouwerij brengen (=waar het rustig is activiteit brengen, meer vrolijkheid en drukte inbrengen)
  17. met de linkerhand trouwen (=huwen met een vrouw van lagere adelstand)
  18. over de puthaak getrouwd (=onwettig samenwonend)
  19. rouwranden aan zijn nagels hebben (=zwarte randjes onder vingernagels hebben)
  20. te kwader trouw (=onbetrouwbaar, oneerlijk)
  21. vertrouwen komt te voet en gaat te paard. (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen.)
  22. zijn ogen vertrouwen (=geloven wat men ziet)
  23. zo zijn we niet getrouwd. (=op die manier iets niet afgesproken hebben)
  24. zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten (=men ziet de anderen zoals men zichzelf ziet)

49 betekenissen bevatten `rouw`

  1. haarscherp (=(van een afbeelding) getrouw tot in fijne details.)
  2. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan. (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden.)
  3. berouw komt na de zonde (=als het eenmaal gebeurd is komt pas de berouw)
  4. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof trouwen, gaat het zelden goed)
  5. steek houden (=betrouwbaar zijn - correct zijn)
  6. bij die twee heeft zij de broek aan. (=bij dat echtpaar neemt de vrouw de meeste beslissingen.)
  7. geen pot zo scheef of er past een deksel op (=bij iedere man past wel een vrouw (en omgekeerd))
  8. zijn hart uitstorten (=bij iemand alles (in vertrouwen) vertellen over de moeilijkheden)
  9. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  10. als de vis goedkoop is stinkt ze (=de herkomst ergens van is niet te vertrouwen)
  11. door de bril van een ander zien. (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  12. een tang van een wijf. / Een oude tang. (=een heks, feeks. / Een oude lastige vrouw.)
  13. als de vos de passie preekt boer pas op je ganzen (=een huichelaar is niet te vertrouwen)
  14. een bedrijvige Martha zijn (=een zeer ijverige vrouw zijn)
  15. Avondrood, mooi weer aan boord, morgenrood, regen in de sloot (=Eerste deel is 60% waar, tweede deel is onbetrouwbaar (KNMI))
  16. als de rechte Adam komt gaat Eva mee (=gezegd van 'n meisje dat liever niet wil trouwen)
  17. hij zal mijn koffer niet kruien (=hem zal ik mijn zaken niet toevertrouwen)
  18. een jatmous van een wijf, maakt de nering stroef en stijf (=het brengt ongeluk als je eerste klant een vrouw is.)
  19. vertrouwen komt te voet en gaat te paard. (=het is makkelijker om iemands vertrouwen te schaden, dan te verkrijgen.)
  20. hij is niet zuiver op de graat (=hij is niet te vertrouwen)
  21. hij heeft schelvisogen hij kijkt als een schelvis (=hij kijkt je lodderig, dom of onbetrouwbaar aan)
  22. met de linkerhand trouwen (=huwen met een vrouw van lagere adelstand)
  23. men heeft hem de hoorns opgezet. (=iemand (vooral een bekende) heeft een relatie met zijn vrouw.)
  24. met iemand te diep in zee gaan (=iemand al te ver vertrouwen)
  25. zo zeker als de bank (=iemand die in alles te vertrouwen is)
  26. het op iemand niet begrepen hebben (=iemand niet vertrouwen)
  27. iemand op de proef stellen (=iemand testen om te zien of die te vertrouwen is of het aan kan)
  28. iets met argusogen bekijken. (=iets wantrouwend bekijken. Iets nauwlettend in de gaten houden.)
  29. onder de geboden (=in ondertrouw)
  30. Een meid en een aardappel kies je zelf (=Je kunt niet voor iemand anders een vrouw uitzoeken)
  31. men moet geen oude bomen verplanten/verpoten/verplaatsen. (=je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen)
  32. ten voeten uit (=letterlijk: de volledige gestalte is afgebeeld; figuurlijk: een getrouwe persoonsbeschrijving.)
  33. een goed geloof en een kurken ziel dan drijft men de zee over (=met vertrouwen en optimisme kan men alles aan)
  34. met een goed geloof en een kurken ziel drijft men de zee over (=met vertrouwen en optimisme kan men alles aan)
  35. te kwader trouw (=onbetrouwbaar, oneerlijk)
  36. van bruiloft komt bruiloft. (=op een bruiloft kunnen twee mensen elkaar leren kennen die dan weer gaan trouwen)
  37. op iemand staat kunnen maken (=op iemand kunnen vertrouwen/rekenen)
  38. om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren. (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
  39. witte paarden hebben veel stro nodig. (=pronkzieke vrouwen kosten veel geld.)
  40. huizen op iemand kunnen bouwen (=sterk op iemand kunnen vertrouwen)
  41. in zak en as zitten. (=terneergeslagen zijn. (oorspronkelijk: Joodse rouw))
  42. huizen bouwen op (=veel vertrouwen hebben in)
  43. aan de scharrel zijn (=verkeren zonder verloofd of getrouwd te zijn)
  44. in de fuik zijn (=verloofd of getrouwd)
  45. op zijn hoede (of quivive) zijn (=voorzichtig zijn omdat het niet helemaal vertrouwd wordt)
  46. tap hem maar borg hem niet (=wantrouw hem)
  47. de koe van de pastoor eet iedere dag mals gras. (=wie trouw is aan machtige mensen, heeft een heerlijk leven.)
  48. ze achter de ellebogen hebben (=zich anders voordoen dan wie die is en niet te vertrouwen zijn)
  49. hij loopt met hoorntjes. (=zijn vrouw bedriegt hem, heeft een minnaar.)

Het dialectenwoordenboek kent 6 spreekwoorden met `rouw`

  1. Oudenbosch: in de rouw zijn (=kleding met rouwkentekenen)
  2. Zeeuws: kiek z esluuten rouwe\\rouwe sluuten (=als er iemand overleden was werden de overgordijnen gesloten)
  3. Bilzers: dae zal gauw begrins zien (=men zal niet lang om hem rouwen)
  4. Baasrode: droue raa ouern in e penneke geklutst (=drie rouwe eitjes in een pannetje geroerd)
  5. Waregems: rouwpt acht' ulpe (=roep om hulp)
  6. Bilzers: daaj zal rap bekriëte zien (=ze zullen niet lang om haar rouwen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen