Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

5 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `rook`

  1. geen rook zonder vuur (=er wordt niet over gepraat of er is wel iets van waar)
  2. het wierookvat zwaaien (=lof toezwaaien)
  3. van liefde rookt de schoorsteen niet (=van de liefde alleen kan je niet leven)
  4. waar rook is is vuur (=waar geruchten over wangedrag zijn, zal er ook wel iets mis zijn.)
  5. wierook toezwaaien (=lof toezwaaien)

Het dialectenwoordenboek kent 26 spreekwoorden met `rook`

  1. Bilzers: rook mér goed, gerook vlees hilt langer (=Wie rookt, die blijft !)
  2. Westerkwartiers: woar rook is is vuur (=roken - waar rook is is vuur)
  3. Westerkwartiers: zij rook'n lont (=zij roken hun kans)
  4. Bilzers: nen turk éster niks tiëge (=hij rookt als een Turk)
  5. Munsterbilzen - Minsters: aste nie baute rooke kons,gank dan mér baute rooke (=als je kan stoppen met roken,ga je maar buiten roken)
  6. Tegels: Dae rauk wie de sjouw van Tieglia (=Iemand die veel rookt)
  7. Munsterbilzen - Minsters: dae geet nog ene rooke (=de tabakshandelaar èste sigaar)
  8. gronings: tis hier oardig snoeks (=blauw staan van de rook)
  9. Munsterbilzen - Minsters: haaj mauste rooke, alléén nie autbloeëze (=roken mag, dampen niet)
  10. Tilburgs: assie nie rokt, ròktie van de wèès (=wanneer hij niet rookt, raakt hij de kluts kwijt)
  11. Tilburgs: sèns dèttie niemir rokt, zöptie. (=sinds hij niet meer rookt, drinkt hij te veel.)
  12. Giethoorns: rookvleis duurt lange (=Een Gerookte worst blijft lang goed -wordt ook gezegd van iemand die lang in een rokerig vertrek verkeren)
  13. Tilburgs: de schaaw blòkt èn de môor wòssemt (=de schoorsteen rookt en de waterketel stoomt)
  14. Evergems: woar da ro'k es, est er vier (=geen vuur zonder rook)
  15. Munsterbilzen - Minsters: doë kan de sjoo nie van rooke (=met zo weinig kan ik niet rondkomen)
  16. Munsterbilzen - Minsters: sêffes deeste èn zen broek (=rook je nu al, zo jong)
  17. Liemers: Achter in de tuin lei-j meneer de Bruin hi-j had gin botte en gin vel en toch rookte hi-j wel. (=Hoop stront achter in de hof. (vers))
  18. Westerkwartiers: hij smookt 'n roare piep tebak (=roken - hij rookt een rare pijp tabak)
  19. Tilburgs: as ie nie rokt, ròkt ie van de wèès (=wanneer hij niet rookt, raakt hij van de wijs)
  20. Oudenbosch: de rook sloog tege nut plaffon (=ze hebben erg ruzie gemaakt)
  21. Langemarks: tis moa de rook die deur de schouwe goat (=van iemand die gierig is)
  22. Buggenhouts: mama,mama mein voeten hemme ka de stoof es oit mau de schapeip doempt (=moeder, moeder mijn voeten hebben koud de kachel is uit maar de schoorsteen rookt)
  23. Munsterbilzen - Minsters: doeër de rook zoegter zen eege nog nimei (=de cafébaas was het zat dat zijn klanten binnen wilden roken)
  24. Westerkwartiers: doar ken de schoorsteen niet van rook'n (=daar kan de zaak niet van bestaan)
  25. Rotterdams: de konegin mot ook scheite,dacchie dat ie lekke rook (=als er iemand commetaar heb na je toiletbezoek)
  26. Munsterbilzen - Minsters: bau rook ès , ès viër (=waar roddels de ronde doen, is de waarheid niet ver af)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen