Spreekwoorden

Zoek

39 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `neus`

  1. aan zijn neus hangen (=hem inlichten)
  2. bij de neus hebben (=iets wijsmaken)
  3. bij de neus nemen (=iemand beetnemen)
  4. dat gaat zo tussen neus en mond (=dat gebeurt in een verloren ogenblik)
  5. de neus optrekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  6. doen alsof je neus bloedt (=doen alsof je van niets weet)
  7. door de neus boren (=iemand anders iets de mogelijkheid ontnemen)
  8. een (goede) neus voor iets hebben. (=precies aanvoelen hoe iets moet of gaat.)
  9. een bril op de neus krijgen (=geen vrij uitzicht of vrije ruimte meer hebben)
  10. een fijne neus hebben (=gemakkelijk iets ontdekken, snel iets aanvoelen)
  11. een frisse neus halen. (=naar buiten gaan.)
  12. een lange neus maken (=tong uitsteken, iemand iets inpeperen (Jaloers maken))
  13. een wassen neus zijn (=niets te betekenen hebben)
  14. er met zijn neus bij staan (=er vlakbij staan)
  15. ergens zijn neus voor optrekken (=zich te goed vinden om iets te doen)
  16. geen knip voor de neus waard zijn (=zijn vak niet kennen en er geen verstand van hebben)
  17. het gaat aan zijn neus voorbij. (=hij loopt iets mis.)
  18. het moet zo tussen neus en lippen gebeuren (=het moet bijna ongemerkt gebeuren)
  19. het neusje van de zalm. (=het beste deel.)
  20. iemand bij de neus nemen. (=iemand voor de gek houden; iemand bedriegen.)
  21. iemand de pen op de neus zetten (=streng ondervragen of aanpakken)
  22. iemand een bril op de neus zetten (=iemand dwingen gehoorzaam te zijn)
  23. iemand een pen op de neus zetten (=iemand dreigend vermanen)
  24. iemand iets aan de neus hangen (=iemand iets vertellen wat die beter niet kan weten)
  25. iemand iets door de neus boren (=ervoor zorgen dat iemand iets niet krijgt)
  26. iemand met de neus op de feiten drukken. (=iemand iets zó onder de aandacht brengen, dat hij het niet langer kan negeren.)
  27. iets tussen neus en lippen zeggen (=zonder dat je het merkt in het geheel iets zeggen)
  28. met de neus in de boeken zitten (=veel lezen)
  29. met de neus in de boter vallen (=door geluk rijk geworden zijn)
  30. met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen.)
  31. niet verder zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
  32. onder de neus wrijven (=duidelijk zeggen wat er van gevonden wordt)
  33. op de neus kijken (=verrast zijn)
  34. op zijn neus kijken (=teleurgesteld zijn)
  35. overal zijn neus in steken (=zich overal mee bemoeien)
  36. wie het onderste uit de kan wil hebben die valt het lid op de neus (=wie altijd het uiterste wil, krijgt uiteindelijk niets)
  37. wie zijn neus schendt schendt zijn aangezicht (=wie zijn goede naam verliest, komt in moeilijkheden)
  38. zijn neus in andermans zaken steken. (=zich bemoeien met zaken die je niet aangaan.)
  39. zijn neus voor iets ophalen (=iets minderwaardig achten)

Eén betekenis bevat `neus`

  1. hij zoekt zijn paard en hij zit er op. (=hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet.)

Het dialectenwoordenboek kent 6 spreekwoorden met `neus`

  1. Munsterbilzen - Minsters: bringste mën sloeffe mèt aste boëve bès (=stop met neuspeuteren)
  2. Aarschots: Tege te neuste jaor (=Tegen volgend jaar)
  3. Munsterbilzen - Minsters: aste boëve bès, bringste dan men sletse mèt (=stop met neuspeuteren !)
  4. Munsterbilzen - Minsters: bringste men sloeffe mèt aste boëve bès (=stop toch eens met in je neus te peuteren)
  5. Munsterbilzen - Minsters: moei dich nie ! (=steek er je neus niet tussen)
  6. Ransts: a ge bouven zij bellen he (=tegen iemand die in zijn neus aan t' peuteren is)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.