Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


417 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `mand`

  1. aan iemands leiband (=door iemand geleid)
  2. aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
  3. aan iemands voeten liggen (=iemand vereren, een absolute fan van iemand zijn.)
  4. achter iemand zoeken (=iemand kwaad proberen te doen)
  5. als een luis in iemands pels zijn. (=iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken.)
  6. als iemand die zijn laatste oortje versnoept heeft (=sip, triest)
  7. als jut voor de haakmand staan (=beteuterd, triest)
  8. bij iemand in een goed blaadje staan (=bij iemand graag gezien zijn)
  9. bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
  10. bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
  11. bij iemand op een goed blaadje staan (=bij iemand graag gezien zijn)
  12. commandeer je hond en blaf zelf (=dat bevel weiger ik uit te voeren)
  13. dat is iemand met een gebruiksaanwijzing. (=dat is iemand waarvan je weet hoe je met diegene om moet gaan)
  14. de egards (tegenover iemand) in acht nemen (=met de nodige beleefdheid behandelen)
  15. de gebraden duiven vliegen niemand in de mond. (=iemand die luxe wil zal er voor moeten werken)
  16. de gek met iemand steken (=spotten met iemand)
  17. de handen van iemand aftrekken (=iemand niet langer steunen)
  18. de kastanjes voor iemand uit het vuur halen (=iemand anders het gevaarlijke werk laten doen)
  19. de mier aan iets/iemand hebben (=een erge hekel hebben)
  20. de pik op iemand hebben (=iemand voortdurend plagen of aanvallen)
  21. De poten onder iemands stoel wegzagen (=iemands positie verzwakken)
  22. de poten onder iemands stoel wegzagen. (=iemands positie verzwakken.)
  23. de rotte appels uit de mand halen. (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen.)
  24. de staf over iets/iemand breken (=iets/iemand afkeuren)
  25. de vlag voor iemand strijken (=voor iemand onderdoen, zijn meerdere erkennen)
  26. door de mand vallen. (=van een lager niveau blijken te zijn dan de buitenwereld tot dan toe had gedacht.)
  27. een appeltje met iemand te schillen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
  28. een boekje over iemand/iets opendoen (=de slechte dingen van iemand vertellen)
  29. een eitje met iemand te pellen hebben. (=hetzelfde als: een appeltje met iemand te schillen hebben.)
  30. een goed woord voor iemand doen (=iemand bij een ander aanbevelen)
  31. een lans breken voor iemand (=het voor iemand opnemen, voor iemand de best doen diegene ergens mee te helpen iets te verkrijgen)
  32. een lelijke noot met iemand te kraken hebben (=met iemand nog iets af te rekenen hebben)
  33. een lichtje opgaan bij iemand (=iets wordt duidelijk en helder)
  34. een loopje met iemand nemen (=zich weinig van iemand aantrekken (die de leiding heeft))
  35. een luis in iemands pels poten/zetten (=iemand last berokkenen)
  36. een nagel aan iemands doodkist (=een groot verdriet of iemand die een groot verdriet veroorzaakt)
  37. een oogje op iemand hebben (=tedere, mogelijk verliefde, gevoelens voor iemand koesteren)
  38. een potje kunnen breken (bij iemand) (=iemand wordt niet gauw boos)
  39. een rib(be) uit iemands lijf (=een grote uitgave)
  40. een rotte appel in de mand maakt het gave ooft/fruit te schand. (=als iemand uit een groep een fout maakt benadeelt hij de hele groep / door slechts één persoon kan iedereen van die groep een slechte naam krijgen)
  41. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand. (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  42. een zak zout met iemand gegeten hebben (=iemand al lang kennen)
  43. een zwak voor iets of iemand hebben (=iets/iemand leuk of aardig vinden)
  44. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
  45. gebraden duiven vliegen niemand in de mond (=je krijgt niets zomaar (zonder er enige moeite voor te doen))
  46. geen land met iemand kunnen bezeilen (=met iemand niets kunnen beginnen omdat die niet wil)
  47. heel wat in zijn mandje hebben (=veel geleerd hebben, veel weten)
  48. het iemand warm maken (=iemand in moeilijkheden brengen)
  49. het is een kwade wind die niemand voordeel brengt. (=er is altijd wel iemand die van de omstandigheden weet te profiteren.)
  50. het land hebben aan iets/iemand (=een hartgrondige afkeer hebben.)

613 betekenissen bevatten `mand`

  1. iemand (niet) voor vol aanzien (=(niet echt) naar iemand luisteren wanneer iemand meepraat)
  2. naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doen wat iemand vraagt)
  3. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt.)
  4. aan de veren kent men de vogel. (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  5. niet in iemands schaduw kunnen staan (=aan iemand absoluut niet kunnen tippen)
  6. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
  7. bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
  8. iemands maat niet kunnen halen (=aan iemand niet kunnen tippen)
  9. bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
  10. plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
  11. iemand scheef aankijken (=aan iemand zijn afkeuring laten blijken)
  12. in zijn eigen sop gaar laten koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
  13. in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
  14. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
  15. het tafellaken doorsnijden (=alle bindingen met iemand verbreken)
  16. iemand over de hekel halen (=allerlei slechte dingen vertellen over iemand)
  17. de kust is veilig (=alles is in orde - er is niemand in de buurt)
  18. zo vrij als een vogeltje in de lucht (=alles kunnen doen en laten wat iemand wil)
  19. iemand tot op zijn hemd uitkleden (=alles van iemand afnemen, een te hoge prijs laten betalen)
  20. iemand om zijn vinger (kunnen) winden (=alles van iemand gedaan (kunnen) krijgen of alles mogen)
  21. zijn hebben en houwen verliezen (=alles wat iemand bezit kwijtraken)
  22. niemand genoemd niemand geblameerd (=als er geen namen genoemd worden, wordt niemand gekwetst)
  23. ergens een handje van hebben (=als iemand de kans ergens toe ziet die ook nemen en een ander het werk bv laten doen)
  24. als de maan vol is schijnt ze overal. (=als iemand gelukkig is, kan iedereen dat zien.)
  25. eens gezegd, blijft gezegd. (=als iemand iets belooft moet die dat ook uitvoeren)
  26. dan moet de wal het schip maar keren (=als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem, dan moet het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang ontstaan, en dan alsnog worden opgelost.)
  27. wie eens steelt is altijd een dief. (=als iemand ooit heeft gestolen zal die altijd blijven stelen)
  28. een rotte appel in de mand maakt het gave ooft/fruit te schand. (=als iemand uit een groep een fout maakt benadeelt hij de hele groep / door slechts één persoon kan iedereen van die groep een slechte naam krijgen)
  29. die het breed heeft, laat het breed hangen. (=als iemand veel geld heeft kan die veel bezitten)
  30. wie appelen vaart, die appelen eet. (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van.)
  31. als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand (=als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp)
  32. wie een hond wil slaan, vindt altijd wel een stok. (=als je kritiek wil hebben op iemand, vind je altijd wel een reden.)
  33. geen bericht is goed bericht. (=als je niet weet hoe het met iets of iemand gaat, kun je ervan uitgaan dat het goed gaat, zolang je geen slecht bericht ontvangt.)
  34. opgestaan is plaats vergaan (=als je rechtstaat kan iemand anders op je stoel gaan zitten)
  35. wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft. (=als je zoveel geeft zoveel je kunt, dan kan niemand je iets verwijten)
  36. of je worst lust! (=antwoord als iemand `Wat?!` zegt.)
  37. begaan zijn met (=bedroefd zijn omdat het met iemand niet goed gaat, meeleven met)
  38. beter blooie Piet dan dooie Piet. (=beter een aarzelend iemand dan iemand die ondoordacht handelt.)
  39. iemand iets heten liegen (=beweren dat iemand gelogen heeft)
  40. op elk potje past een dekseltje. (=bij iedereen en alles past wel iemand of iets)
  41. zijn hart uitstorten (=bij iemand alles (in vertrouwen) vertellen over de moeilijkheden)
  42. iemand in het zeer tasten (=bij iemand de gevoelige plek raken)
  43. iemand de oren van het hoofd eten (=bij iemand erg veel eten)
  44. bij iemand in een goed blaadje staan (=bij iemand graag gezien zijn)
  45. bij iemand op een goed blaadje staan (=bij iemand graag gezien zijn)
  46. ziende blind zijn (=bijvoorbeeld iemand wel kennen maar tch niet de verkeerde eigenschappen zien)
  47. met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=boos naar iemand toe gaan of boos bij iemand binnen komen)
  48. dat is lariekoek (=dat heeft iemand verzonnen)
  49. dat is iemand met een gebruiksaanwijzing. (=dat is iemand waarvan je weet hoe je met diegene om moet gaan)
  50. daar kraait geen haan naar (=dat komt niemand te weten)

Het dialectenwoordenboek kent 9 spreekwoorden met `mand`

  1. Overmeers: 'n mande petatten (=een mand aardappelen)
  2. Zottegems: ei eter gelegen (=hij valt door de mand)
  3. Brakels: tstopt gelijk een mande zonder gat (=een nietszeggend einde (van film))
  4. Gents: t 'es woater poempe in een mande (=het heeft geen zin)
  5. Merenaars: in zen ol koteren (=ie mand niet gerust laten, aanporren)
  6. Aalsters Gld: mandagemergen klompen gehelt en nie betelt (=maandag morgen klompen gahaald en niet betaald)
  7. Westerkwartiers: hij ging heulemoal onneruut (=hij zakte volledig door de mand)
  8. Westerkwartiers: hij viel deur de mand (=hij moest wel bekennen)
  9. Brugs: tis ni moeilik je schiet in un mande zonder hat (=een koppel die geen kinderen krijgt)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen