Spreekwoorden

Zoek

10 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kwijt`

  1. borgen is geen kwijtschelden (=uitstel is geen afstel)
  2. dat raak je aan de straatstenen niet kwijt. (=dat is niet te verkopen)
  3. de draad kwijt zijn (=de loop van het verhaal niet meer kunnen volgen)
  4. de kluts kwijt zijn (=in de war zijn)
  5. de tramontane kwijt zijn (=het spoor bijster zijn)
  6. de weg kwijt zijn. (=zich onhandig opstellen, onverstandige keuzes maken.)
  7. het hoofd kwijt (=niet meer weten wat te doen)
  8. het stuur kwijt zijn (=de controle verloren hebben)
  9. lopen als een kip die haar ei niet kwijt kan (=onrustig heen en weer lopen)
  10. zijn ei kwijt kunnen. (=de gelegenheid hebben zich te uiten; of, zijn creativiteit kunnen gebruiken)

8 betekenissen bevatten `kwijt`

  1. zijn hebben en houwen verliezen (=alles wat iemand bezit kwijtraken)
  2. als 't schip zinkt dan zinkt ook de lading. (=als een zaak bankroet gaat, dan is men meestal ook alles kwijt.)
  3. wie hoog klimt kan laag vallen. (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  4. een streep door de rekening halen (=de schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben)
  5. genade voor recht laten gelden (=de straf kwijtschelden)
  6. stal noch haard vinden (=er niets meer van begrijpen - de weg totaal kwijt zijn)
  7. van zijn veren laten (=van zijn eer kwijtraken)
  8. zo gewonnen, zo geronnen. (=wat je makkelijk hebt gewonnen, kun je ook makkelijk weer kwijt raken.)

Het dialectenwoordenboek kent 44 spreekwoorden met `kwijt`

  1. Sallands: dat bin 'k kwiet ewöddn (=dat ben ik kwijtgeraakt)
  2. Drents: wat heun ofgaon (=op een pijnlijke manier iets kwijtraken)
  3. Twents: Hee is zie’n hoesbreef verget’n (=hij is de weg kwijt)
  4. Leopoldsburgs: hiel hed deroan (=het noorden kwijt)
  5. Munsterbilzen - Minsters: van zen mölk zin (=de kluts kwijt zijn)
  6. Lovendegems: peetse scheirtant (=iemand met een tand kwijt)
  7. Vechtdals: kwiet wörn (=kwijt raken)
  8. Assers: Hae is van de kar aaf. (=Hij is verbouwereerd, de kluts kwijt)
  9. Bilzers: van zen mëlk (de koeëk) zin (=de kluts kwijt zijn)
  10. Bilzers: hae wiët nimei van wülke peroche datter és (=hij is totaal het noorden kwijt)
  11. Tilburgs: assie nie rokt, ròktie van de wèès (=wanneer hij niet rookt, raakt hij de kluts kwijt)
  12. Waregems: ie weet nie woarin of woaroit (=hij is het noorden kwijt)
  13. Steins: Ich bèn gans oetereine (=ik ben de kluts kwijt)
  14. Lovendegems: de kluts kwijt zijn (=niet weten wat aanvangen*)
  15. Munsterbilzen - Minsters: immei wiëte wot nen daog et és (=het noorden kwijt zijn)
  16. Munsterbilzen - Minsters: de brings mich van menen aprepoo (=ik geraak de kluts kwijt)
  17. Munsterbilzen - Minsters: daaj kanner ee nie kwijt (=ze kan niet doen wat ze wil)
  18. Antwerps: Ajis van zan mellek. Z'is van eur mellek. (=Hij is de kluts kwijt. Zij is de kluts kwijt.)
  19. Rotterdams: Hebbie een halleve snipperdag gehad (=Als je iemand even kwijt bent, en weer ziet.)
  20. Munsterbilzen - Minsters: aut zen bedoening zin (=de kluts kwijt zijn)
  21. tervurens: aa kloesj kwaat zaan (=uw kluts kwijt zijn)
  22. Westerkwartiers: zij is 't spoor biester (=zij is de weg kwijt)
  23. Westerkwartiers: zij was uut 't lood sloag'n (=zij was de kluts kwijt)
  24. Berchems: zije ui ure kwijt? (=je bent te laat)
  25. Steins: ich bèn ram oeterreine (=ik ben helemaal de kluts kwijt)
  26. Munsterbilzen - Minsters: mèt al da gezever bèn ich den droeëd kwijt (=door de bomen het bos niet meer zien)
  27. Munsterbilzen - Minsters: dat hèt mich gepak, ich bèn der onnersteboëve van (=dat heeft me aangegrepen, ik ben er de kluts van kwijt)
  28. Oudenbosch: ij waar eulemaol de kluts kwijt (=hij was erg in de war)
  29. Oudenbosch: ijis de kluts kwijt (=hij weet het niet meer)
  30. Munsterbilzen - Minsters: dae ès heilegans de waeg ('t noorde) kwijt (=hij is op den dool)
  31. Munsterbilzen - Minsters: hae ès de kluts kwijtgerok (=de slager weet niet meer welk vlees hij in de kuip heeft)
  32. Munsterbilzen - Minsters: hae sloeg tilt (=de kassier was de tel kwijt)
  33. Bilzers: nimei wiëte daste van Bulze bés (=het noorden kwijt zijn)
  34. Bilzers: ich voel aateriëver op mene bauk (=ik was totaal mijn kluts kwijt)
  35. Bilzers: dè es zen toeng kwijt--dè hèt zen toeng engeslik (=die zegt niet veel)
  36. Munsterbilzen - Minsters: astich daaj zene kop ter tësse stik, bèssem kwijt (=wat een boezem, zeg !)
  37. Liwwadders: dat figuur spoort niet helemaal goeed (=hij is een beetje de weg kwijt)
  38. tervurens: ik zaain ielemoe wisjewasje (=ik ben van mijn melk, het noorden kwijt)
  39. Twents: Old geald en oale wief ko`j kwiet in klingelbuul. * (=In een geld budel kan je allls kwijt)
  40. Hams: hij es zijne kluts kwijt (=hij is van zijn melk)
  41. Munsterbilzen - Minsters: bèste zen toeng kwijt ? (=kun je niet antwoorden ?)
  42. Waregems: olve goar'n, 'n vijze kwijt (=niet goed bij zinnen)
  43. Mols: de kluts kwijt zijn (=van slag zijn)
  44. Betuws: kwijt of net se wijd (=evengoed/ je kunt het proberen)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen