Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `klok`

  1. aan de grote klok hangen (=algemeen bekend maken)
  2. aan de klok(reep) hangen (=algemeen bekend maken)
  3. aan het klokzeel hangen (=bekend maken)
  4. dat gaat erin als klokspijs (=dat gaat er gemakkelijk in)
  5. de grote klok luiden (=op opvallende wijze bekend maken)
  6. de klok achteruit zetten (=terug naar oude toestanden gaan)
  7. de klok hebben horen luiden maar niet weten waar de klepel hangt (=ergens over gehoord hebben, zonder er echt iets van af te weten)
  8. de klok luiden maar niet schaften (=wel beloven maar niet doen)
  9. een man van de klok zijn (=iemand die steeds precies op tijd is)
  10. een stem als een klok (=een luide, duidelijk stem)
  11. er ingaan als klokspijs (=er gemakkelijk ingaan (voedsel of wat gezegd wordt))
  12. hij heeft de klok horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt (=hij weet er wel iets over, maar kent de juiste toedracht niet)
  13. iets aan de grote klok hangen (=iets algemeen kenbaar maken)
  14. iets aan de klokreep hangen (=iets algemeen bekend maken)
  15. weten wat de klok slaat (=weten hoe laat het is)
  16. zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. (=het is nergens zo goed als thuis.)

Het dialectenwoordenboek kent 40 spreekwoorden met `klok`

  1. Texels: Zoas 't klokkie tuus luud, luud 't nerregus (=Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens)
  2. Sint-Niklaas: de klokken luin (=de klokken luiden)
  3. Gents: iemand nen trôk in zij cabine gêven (=iemand in zijn klokkenspel slaan)
  4. Evergems: de klokk'n luien (=iets vertellen wat niet mag)
  5. Waregems: de kloogg'n loin (=de klokken luiden)
  6. Hoogstraats: het luijt (=de klokken luiden)
  7. Giesbaargs: de klokke komt (=de paashaas komt)
  8. Zaans: Effies kloke (=Zijn oor te luisteren leggen)
  9. Zeeuws: ie ei een kloksie oe-aarn luun me weet nie wir a de klepel angt (=hij weet het niet goed)
  10. Munsterbilzen - Minsters: hae loeg toë oëpen en blaut mèt ze klokkespieël (=hij zat daar in zijn blote flikker)
  11. Lekkerkerks: de klok het gelooien (=de (toren-)klok heeft geluid (betekent: het is tijd))
  12. Bilzers: autbemmele (=aan de grote klok hangen)
  13. Bilzers: dae heirt de klokke van Rome loje (=hij heeft een klop van de hamer gekregen)
  14. Bilzers: aon de graute klok hange (=verklappen)
  15. kortemarks: olle vuuf voetn (=met de regelmaat van een klok)
  16. Ninoofs: de kerk ooëtj veer dat de klokke loeën (=coïtus interruptus)
  17. Waalwijks: ''kek mar uit mee oew gek bakkes, dolluk sloi ut klokske van Rome en dan blijvet zo ston'' (=Bekken trekken)
  18. Mestreechs: de kat de bel aon binde (=iets aan de grote klok hangen)
  19. Avelgems: d' Endeklokke luit (=Er is iemand gestorven (te horen aan de klok op de kerk))
  20. Bilzers: de konste klok nie trégdraeje (=alles gaat maar door !)
  21. Westerkwartiers: dat klinkt as 'n klok (=dat klinkt duidelijk)
  22. Munsterbilzen - Minsters: on de graute klok hange (=openbaar maken)
  23. Heldens: Ut vogoltju zingt thuis eegluk mooi, daar es ut thuis. (=Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.)
  24. Avelgems: d' Endeklokke luit (=Er is iemand gstorven (te horen aan de klok op de kerk))
  25. Munsterbilzen - Minsters: on de graute klok hange (=uitbazuinen)
  26. Bilzers: tlüp waajen klok (=alles verloopt gesmeerd)
  27. Bilzers: At de klok van Raume slig, blifste zau! (=Trek geen grimassen!)
  28. Heels: èt trumptj (=kleine klok wordt geluid om aan te geven dat de mis over .... minuten gaat beginnen.)
  29. Munsterbilzen - Minsters: get on de graute klok hange (=de kat de bel aanbinden)
  30. Westerkwartiers: hij het 'n klokje luud'n heurd moar wiet niet woar de klebel hangt (=hij weet niet alles daaromtrent)
  31. Achterhoeks: Hi-j hef de melk heuren klotsen, maor wet neet waor 't titje hunk. (=Hij heeft de klok horen luiden, maar weet niet niet waar de klepel hangt.)
  32. Liemers: A'j wel klok kön kie:ke maor nie kön aflaeze hoe laat `t is dan mark ie d'r gin bars van. (=Zomer of wintertijd.)
  33. Munsterbilzen - Minsters: loj geen klok aste de klüppel nie wiës hange (=geef geen antwoord als je de vraag niet begrijpt)
  34. Heerlens: de milk huëre kloetsje, mèh nit weete woe 't deame hink (=de klok horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt)
  35. Oudenbosch: ijis mee doute klok vertrokke (=hij is met de noorderzon verdwenen)
  36. Munsterbilzen - Minsters: ich hüb ter get van geheird, mèr ich wiët nie zjus bau et iëver geet (=de klok horen slaan maar niet weten waar de klepel hangt)
  37. Munsterbilzen - Minsters: Vae hûbben de herlauges, zij den tijd (=Wij Westerlingen leven op het ritme van de klok, vele volkeren leven op het ritme van het leven)
  38. Munsterbilzen - Minsters: loj geen klok aste de klëppel nie wiës hange (=als je aan iets begint, moet je het ook afwerken)
  39. Sint-Niklaas: ge wit zaalf mor den aalft van 't schoon weer nie meer; gètte klok ore luin mor ge witte klepel nie angen (=gij weet het precies zelf niet goed meer)
  40. Oudenbosch: komme ze goed / pakte gij oew prijze?oeneer issut inkurve/inmaande? oelaot issut klokke zette; zijn zal afgesloge? en wanneer worre ze gelicht (p.v.de Postduif bij Willem Vermeulen en Gerrit Goos)? 1948-1964 Fenkelstraat-Varkensmarkt-Polderstraat-Stoofstraat resp.Joh.Hoppenbrouwers,Joh.van Loon,Theo Ambagts,Cees Jongenelen-Janus Meesters-Piet Daas,Rinus Meesters-Koos Keij. Zijndur deur(gekomme) ? ; Speulde gij vites of fond;nest of op weduwschap?;issur dadeentje van de vlucht?daor steektur eentje;ze valle bedicht;nou komme ze gestee-rt af;en daor gao dun eul klad;wiejeet dun eurste gespeult?witte gij wie dun oed op aar?; tis un zwaore vlucht gewiest;zebbe draot gat;op de fond edde weinig waaivluchte;aardur veul mee?;eddok gepoeld?; aardur ok int konkoers staon of aarde ze alleen vor de vereniging mee?;aarderok vol staon ?;;Fenske witte gij dun uitslag vant konkoers? is dun lijst er al? oe laot zijn de prijze naf?. (=duivensport)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen