56 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `huis`
- aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
- alle heilige huisjes aandoen (=alle cafés bezoeken)
- als het huis volbouwd is breekt men de steigers af (=als het doel bereikt is, vergeet men de helpers)
- Beter thuis rapen eten dan elders gebraad. (=Thuis is het altijd nog het beste.)
- bij elk heilig huisje aanleggen (=alle cafés bezoeken)
- Dat hangt als een schijthuis boven de gracht (=Dat is overduidelijk)
- dat is zo vast als een huis (=dat is zeker)
- de handen thuis houden (=niet aanraken)
- een echte huismus (=iemand die het thuis naar zijn zin heeft, geen uitgaanstype)
- een gouden dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
- een heilig huisje (=een herberg - een (voor de betrokkene) onaantastbare waarheid)
- een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
- een verdieping op zijn huis zetten (=hypotheek nemen)
- een zilveren dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
- elk huisje heeft z'n kruisje (=ieder gezin heeft eigen zorgen en problemen)
- er is geen huis met hem te houden (=hij is niet tevreden te stellen, je kan er geen land mee bezeilen)
- ergens als kind in huis zijn (=ergens bekend of goed behandeld worden)
- ergens kind aan huis zijn (=ergens graag en vaak gezien zijn)
- gehuisd en gehoofd zijn (=gegoede burger zijn)
- het huishouden van Jan Steen (=een slordige boel)
- het huisje bij het schuurtje houden/laten (=geen onnodige uitgaven doen)
- het zonnetje in huis (=iemand die zorgt voor een goede, opgeruimde sfeer)
- Hij geeft er niet om wiens huis in brand staat, als hij zich maar aan de gloed kan warmen (=Hij doet overal voordeel mee, ongeacht de gevolgen voor anderen)
- huishouden van Kea/Keja (=een rommelig huishouden)
- huisjes melken (=kleine huizen duur verhuren)
- ieder huisje heeft zijn kruisje (=er mankeert overal wel iets)
- in een glazen huis wonen (=iets op zijn kerfstok hebben / geen privéleven hebben)
- in het huisje wegen (=uiterst nauwkeurig het gevraagde gewicht geven)
- in hetzelfde gasthuis ziek liggen (=aan dezelfde kwaal lijden)
- instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
- Je mag wel ergens anders honger krijgen, als je thuis maar komt eten. (=Een getrouwde man mag wel met knappe meisjes flirten, daar moet het bij blijven.)
- Je moet een paard niet doodknuppelen, voordat je thuis bent. (=Te veel haast kan wel eens vertraging opleveren)
- met de deur in huis vallen (=meteen ter zake komen / onmiddellijk over datgene beginnen waarvoor men kwam zonder)
- met de kous op de kop thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
- met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
- met een waterzeil thuiskomen (=doornat zijn)
- met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
- niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen)
- niet thuis zijn van (=geen verstand hebben van - niet willen weten van)
- om over naar huis te schrijven (=erg bijzonder)
- oost west, thuis best (=waar je ook bent, thuis voel je beter op je gemak)
- steeds verder van huis raken (=verder van je doel afraken)
- thuis is in je schuur (=dit wordt gezegd als je weinig thuis bent)
- van alle markten thuis zijn (=veel kunnen en handig zijn of veel weten)
- van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
- van huis en haard verdreven (=dakloos zijn)
- veel in huis hebben (=over veel capaciteiten beschikken)
- wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
- wel thuis kunnen blijven (=het wel kunnen vergeten)
- wie in een glazen huis woont moet niet met stenen gooien (=wie schuldig is, moet zich niet laten opmerken)
37 betekenissen bevatten `huis`
- over de drempel komen (=aan huis komen)
- het rijk alleen hebben (=alleen baas zijn, alleen thuis zijn)
- wat het huis verliest, brengt het weer terug (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
- met hangende pootjes thuiskomen (=bewust van schuld (thuis)komen / zeer tegen zijn zin)
- Een blind paard zou er geen schade doen. (=Daar in huis is letterlijk niets meer)
- thuis is in je schuur (=dit wordt gezegd als je weinig thuis bent)
- met een nat zeil thuiskomen (=dronken thuiskomen)
- een huis met gouden balken (=een huis met hypotheek bezwaard)
- huishouden van Kea/Keja (=een rommelig huishouden)
- een vreemdeling in Jeruzalem zijn (=ergens niet bekend zijn met de gang van zaken of zich ergens niet thuis voelen)
- met een baksteen in de maag geboren worden (=graag een huis willen hebben dat van jezelf is, dat je eigendom is)
- zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens (=het is nergens zo goed als thuis)
- eigen haard is goud waard (=het is nergens zo mooi als thuis / men hecht veel waarde aan het eigen bezit)
- een echte huismus (=iemand die het thuis naar zijn zin heeft, geen uitgaanstype)
- als een vis op het droge (=iemand die zijn draai niet kan vinden of daar niet thuis hoort)
- iemand naar het peperland zenden (=iemand ver van huis sturen)
- `t Mag vloeien, `t mag ebben. Die niet waagt zal `t niet hebben (=Je moet niet denken als je niets onderneemt dat ze het dan bij je thuis komen bezorgen)
- zijn penaten opzoeken (=naar huis gaan)
- zijn klompen wegbrengen/wegzetten (=naar huis gaan/sterven)
- uit de pot van Egypte eten (=nog thuis eten bij de ouders die voor je zorgen)
- beter rapen aan eigen dis dan elders vlees of vis (=Oost West thuis best)
- het paard ruikt de stal (=opschieten om gauw thuis te komen)
- van een koude kermis thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
- met de kous op de kop thuiskomen (=teleurgesteld thuiskomen)
- bij moeders pappot (=thuis)
- bij moeders pappot blijven (=thuis blijven - enkel spreken over iets waar men iets over weet)
- Beter thuis rapen eten dan elders gebraad. (=Thuis is het altijd nog het beste.)
- onder de pantoffel zitten (=thuis niets te vertellen hebben)
- zoals het handje thuis tost, tost het nergens (=uiteindelijk gaat er niets boven het eigen huis)
- oost west, thuis best (=waar je ook bent, thuis voel je beter op je gemak)
- een gouden dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
- een zilveren dak op het huis hebben (=wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld)
- zeeman geen man (=zeemannen zijn heel vaak van huis en daarom minder als echtgenoot geschikt)
- zich als een kat in een vreemd pakhuis voelen (=zich ergens niet thuis voelen)
- met de klompen op het ijs komen (=zich onvoorzichtig ergens begeven waar men niet thuis hoort)
- zijn penaten ergens vestigen (=zich vestigen (zich ergens thuis voelen))
- als de ragebol rust werkt de spin (=zonder onderhoud raakt `n huis (de omgeving) snel in verval)
50 dialectgezegden bevatten `huis`
- 'k gao op 'n huus an (=ik ga naar huis) (Sallands)
- 'k goin moan seir teu deu (=ik ga naar huis gaan) (Overijses)
- 'k gon no m'n uus gon patèle eejten (=ik ga naar huis gaan middageten) (Brugs)
- 'k hoop dat ze gauw opkrazz'n (=ik hoop dat ze snel naar huis gaan) (Westerkwartiers)
- 't é'n reut'eut 't eus en ae 't rehent, 't rehent bin'n (=Er is een ruit uit het huis en als 't regent regent het daar binnen) (Zwevegems)
- 't es ermój troef (=Zegt men o.a. als er niet veel meer in huis is en het hoogtijd is om naar de winkel te gaan) (Stals)
- 't es rosse Jan (=er is ruzie in huis) (winksels)
- 't huis der zuchten (word nu niet meer gebruikt) (=belastingkantoor) (Wetters)
- 't huus is netjes an kaant (=het huis is netjes op orde) (Westerkwartiers)
- 't Huus is van mi-j, mar 't wief hef de slöttel. (=Het huis is van mij, maar mijn vrouw heeft de sleutel.) (Sallands)
- 't Is e rututus en a trintrintrin (=Er is een ruit uit het huis en als het regent, regent het erin.) (West-Vlaams)
- 't is hi'jt int kot (=Het is heet in huis) (Luyksgestels)
- ’t és skuë gerief mur ge meug ‘et nie in uis émmen (='t is een mooie vrouw, maar je mag ze niet in huis hebben (smalend gezegd door mannen over een vrouw, )) (Meers)
- ' k go m' n eige thuus bringe (=Ik ga naar huis) (Ouddorps)
- ' Ktrek eroat (=Ik ga naar huis) (Hulshouts)
- A de katte van us es dansn de muzn (=Als de kat van huis is dansen de muizen) (West-Vlaams)
- aan het broeskoekeren (=bij mooi weer in huis zitten) (Flakkees)
- aij zitter gezooije en gebraaije (=hij is er als kind aan huis) (Hulsters (NL))
- allee treute, we zijme vuurt, ik zal eu thuis ne kier tuugen woar dat Belfort echt stoat (=kom schat, we gaan naar huis voor een romantische nacht) (Gents)
- As de kat van huus is dan daanse de muze (=Als de kat van huis is dansen de muizen) (Lunters)
- as de kat van uis es, dausen de muizen (=als de kat van huis is dansen de muizen) (Meers)
- as gê van den duvel sprikt ziede zènne stjeirt (=iemand die het huis binnenkomt als men over hem aan het praten is) (Sint-Niklaas)
- Aste kat van hus is, danse de muzze (=Als de kat van huis is, dansen de muizen) (Slands)
- astich doë mèr niks aonkump (=daar komt niets van in huis) (Munsterbilzen - Minsters)
- Atenum. (WT) (=Achter het huis) (Mechels (NL))
- attet garnezoen jing op haus aofkump esset nen heile opstand (=het is een hele bedoening als alle kinderen tegelijk naar huis komen) (Bilzers)
- aut (het nès) vliege (=het ouderlijk huis verlaten) (Munsterbilzen - Minsters)
- bij iemëd dèk ieëver den dëlper koeëme (=iemands huis platlopen) (Munsterbilzen - Minsters)
- bij iemës iëver den dërpël koëme (=bij iemand aan huis komen) (Munsterbilzen - Minsters)
- blijven hangen, plekken (=op cafe gaan en laat naar huis komen) (Meers)
- d'r is tevuul dak op 't huis (=er zijn teveel meeluisteraars) (Huizers)
- da doede maar in oew eigen 'uis'ouwe (=doet u dat maar bij uw eigen huis) (Bredaas)
- da uis is onderkommen (=dat huis is vervallen) (Sint-Niklaas)
- da waorenhuis (=dat was een huis) (Eindhovens)
- da zal geen verf pakke (=daar komt niets van in huis) (Munsterbilzen - Minsters)
- da zal wol zin ! (=daar komt niets van in huis) (Munsterbilzen - Minsters)
- daaj hëbbe nog nie ëns ne brik (=zij hebben nog niet eens een eigen huis) (Munsterbilzen - Minsters page 1 naarNL 1)
- daaj hër haajskë ès mèr ne viërëk graut, ë kraupkietsjë (=haar huis is maar een voorschoot groot, een echt kruipgat) (Munsterbilzen - Minsters)
- daaj zieste nau ës nërgës, dassën echte hauskat (=die vrouw gaat nergens, ze sluit zich op in huis) (Munsterbilzen - Minsters)
- dae hèt ën haus waaj ën sjieër (=hij bezit een heel groot huis) (Munsterbilzen - Minsters)
- Dae kump mich de boed neet meë in. (=Hij komt mijn huis niet meer in.) (Gelaens (Geleens))
- Daor liggen de muzen dood veur de kaaste (=Geen kruimel brood meer in huis) (Giethoorns)
- Dar bin ze zo aarm, daor liggen de muzen dood veur de kaaste (=geen kruimel brood meer in huis) (Giethoorns)
- das een trekploster (=als die ergens is kan hij niet naar huis gaan) (Sint-Niklaas)
- Dat hoes steit op pepiere pöäl (=op dat huis rust een zware hypotheek) (Steins)
- dat huis (=dat huis) (Aspers)
- Dat is mich eine boed wo dae in woont. (=Het is een armoedig huis waar hij in woont.) (Neerbeeks)
- De beneb bi-j een aander onder de taofel steken (=Uit het ouderlijk huis vertrekken) (Giethoorns)
- de goit verzette
Kan ook gewoon in huis op de wc. (=urineren (buiten)) (Westfries)
- de heile boel aofslaute (=het huis op slot doen) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen