Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


20 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `grond`

  1. aan de grond zitten (=bankroet of totaal uitgeput zijn)
  2. als aan de grond genageld staan (=perplex staan)
  3. als paddenstoelen uit de grond schieten (=snel en in grote massa tevoorschijn komen)
  4. de grond onder zich voelen wegzinken (=beschaamd zijn , geen oplossing meer zien)
  5. geen been aan de grond krijgen (=voorstel werd niet aangenomen)
  6. geen grond houden (=geen steek houden - niet correct zijn)
  7. geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)
  8. gods wegen zijn ondoorgrondelijk (=er gebeuren soms rare dingen)
  9. het grondsop is voor de goddelozen (=gezegd van iemand die het laatste restje uitdrinkt)
  10. in de grond boren (=een idee op vervelende wijze sterk afkeuren)
  11. laag bij de grond (=oneerlijk, unfair)
  12. met beide benen op de grond staan (=een realist zijn)
  13. met de grond gelijk maken (=totaal vernietigen)
  14. op de voorgrond staan (=onder de aandacht staan)
  15. op de voorgrond treden (=onder de aandacht treden)
  16. stille waters/wateren hebben diepe gronden (=zij die weinig zeggen hebben vaak het onvoorspelbaarste karakter)
  17. te gronde gaan (=verdwijnen, niet verder kunnen bestaan)
  18. uit de grond stampen (=erg snel iets opbouwen)
  19. vaste grond onder de voeten hebben (=weten waar men op steunt - in een goede positie verkeren)
  20. vaste voet aan de grond krijgen (=iets gedaan krijgen en/of als gebruikelijk beschouwd gaan worden)

13 betekenissen bevatten `grond`

  1. de paal door de oven steken (=bankroet gaan, zich te gronde richten)
  2. het land hebben aan iets/iemand (=een hartgrondige afkeer hebben)
  3. er het mes inzetten (=er grondig op ingrijpen, in de uitgaven besnoeien)
  4. een goede beurt geven (=grondig reinigen, grondig aanpakken)
  5. iemand doodverven met iets (=iemand bestemd voor een post achten, iemand als de dader van iets afschilderen (doodverf is grondverf)[1])
  6. iets zo beu zijn als koude pap (=iets grondig beu zijn)
  7. een gesloten boek (=iets wat niet te doorgronden is)
  8. uit de lucht grijpen (=iets zonder enige grond vertellen)
  9. vogels van diverse pluimage (=mensen met allerlei diverse achtergronden)
  10. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  11. uit de lucht gegrepen (=uit het niets gegrepen, zonder enige grond)
  12. Een vogel die te vroeg zingt, wordt `s avonds van de kat gegeten. (=Wie al te jong naar genot streeft, gaat te gronde.)
  13. tot op het bot uitzoeken (=zeer grondig uitzoeken)

Het dialectenwoordenboek kent 59 spreekwoorden met `grond`

  1. Waregems: 'n wreeve geev'n (=even snel (niet grondig) oppoetsen)
  2. Veurns: d' erdeure goan mit 'n groev'n bustel (=een zaak grondig uitzuiveren)
  3. Zwols: Iets töt op de baodem uutzuken (=Iets zeer grondig uitzoeken)
  4. Munsterbilzen - Minsters: sjroep tich mér ès tegoej (=was je maar eens grondig)
  5. Oudenbosch: ijee gin broek mir aon z n koont (=hij is financieel te gronde gegaan)
  6. Antwerps: dien ee d'en grondsmokske (=klein van gestalte zijn)
  7. Veurns: d' er de koede kurs van krieg'n (=het grondig beu zijn)
  8. Waregems: ropt ui verstand ne kieë tuuëpe (=denk er eens grondig over na)
  9. Roermonds: Dae zal zich waal in zien eige metske dooloupe (=Hij zal wel aan zijn oneerlijkheden ten gronde gaan)
  10. Kinrooi: Gelök is gebazeerdj op ein gooj gezóndjheid en e slecht geheuge! (=Geluk heeft als grondslag een goede gezondheid en een slecht geheugen!)
  11. Roermonds: Dem móste ze sjpits make en de grondj in pave (=Ze moesten hem de mond snoeren)
  12. Overmeers: 'n lapken grond of ne veurschueut grond (=een stuk grond)
  13. Zaans: Nou! - ut grondais loopt langs de goot (=Antwoord op de vraag: Vriest het?)
  14. Ninoofs: dieje grond es oejtgeprest (=afgegraven grond (steenbakkerij))
  15. Sint-Niklaas: de grond omdoen (=de grond lichtjes omspitten)
  16. Geels: in de jeer dabbe (=in de aarde (grond) graven)
  17. Arendonks: dabben (=met de handen in de grond graven)
  18. Sint-Niklaas: paljas sloapen (=op de grond slapen)
  19. Overmeers: e voatzoad land (=een oppervlakte grond)
  20. Munsterbilzen - Minsters: op zen klitse niërgon (=op de grond neersmakken)
  21. Langemarks: é schorte groot (=een klein stukje (grond))
  22. Antwerps: loeke schooif doeng (=van de grond gaan)
  23. herenthouts: Ha is op z'n kloete gegoan. (=Hij is op de grond gevallen)
  24. Antwerps: de grond kusse (=vallen)
  25. Barghs: As gi-j mea groond wil hebbe mô gi-j diéperder grááve (=Als je iemand betrapt die zich onterecht meer grondgebied wil toe-eigenen:)
  26. Lichtervelds: je gienk teegn dek (=hij viel op de grond)
  27. Munsterbilzen - Minsters: zene zak gon autzjoeggele (=eens lekker van de grond gaan)
  28. Deinzes: Het kletst tegen den dek (=Het valt op de grond)
  29. Munsterbilzen - Minsters: tvries tottet krok (=het vriest stenen uit de grond)
  30. Gents: van 't Lam Gods geslegen zijn (=aan de grond genageld zijn - uit de lucht vallen)
  31. Waregems: ie weet nie van wa out pijl'n umokt (=hij zit aan de grond)
  32. Schijndels: Piere döppe (=Met een riek wormen uit de grond halen)
  33. Sint-Niklaas: ô broek slipt (=uw broek komt tot op de grond)
  34. Olens: Ha is mee zen peteuzze tege de kuist gegaan (=Hij is tegen de grond gevallen)
  35. Twents: van jonge leu en oale groond (=van jonge mensen en oude grond)
  36. Zeeuws: Die klaogende putten in d'érde (=hij klaagde heel erg putten in de grond)
  37. Lokers: van de grond goane (=geslachtsgemeenschap hebben)
  38. Venloos: Ik vindt het kakkers (=Beter een Venlose in de lucht dan tien op de grond)
  39. Munsterbilzen - Minsters: ich stoën aon de grond genaechelt (=ik sta perplex)
  40. Westerkwartiers: ze zitt'n an 'e grond (=zij zijn failliet)
  41. Giethoorns: A-j 't platte van de voeten maar onder joe ollen (=Blijf met de voeten op de grond staan wees verstandig en nuchter blijven)
  42. Munsterbilzen - Minsters: iemes tiëge zenen inkpot stampe totterv vanzelf begint te sjrijve (=iemand tegen zijn gat stampen tot hij van pijn over de grond kruipt)
  43. Liemers: Zi-j waete bi-j god nie waor zi-j dah naor toe zölle laote krujje deur eurlie heurige (=Landadel met te veel grond)
  44. Sint-Niklaas: 't vriest stenen uit de grond (=het vriest hard)
  45. Munsterbilzen - Minsters: wae ne gek traut vër de drek, verlies de drek en hilt de gek (=wie een gek huwt voor de grond, verliest de grond maar houdt de gek)
  46. Astens: alle goeds kumt van bove , behaalve de erpel , die komme uit de grond ! (=gezegde :)
  47. Westerkwartiers: hij kreeg gie poot ann 'e grond (=hij kon niets beginnen)
  48. Bilzers: van sjaemte en de grond kraupe (=zich versteken uit schaamte)
  49. Leefdaals: de grond is lieëg (=ik heb moeite met mij te bukken)
  50. Tilburgs: hij heej nie meer grond as dè wèt er onder zen naogels zit. (=een straatarme boer)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen