Spreekwoorden

Zoek



4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `geel`

  1. een geeltje van de plank nemen (=een oude preek herhalen)
  2. groen en geel voor de ogen worden (=duizelen en/of erg van schrikken)
  3. het werd hem groen en geel voor de ogen (=hij werd er erg draaierig van)
  4. je groen en geel ergeren (=je heel erg ergeren aan iets of iemand)

Eén betekenis bevat `geel`

  1. iemand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezicht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt.)

Het dialectenwoordenboek kent 122 spreekwoorden met `geel`

  1. Drents: Iene hen geelbroek wèensen (=iemand iets niet gunnen)
  2. Sint-Niklaas: 't glas is geelegans kapot (=het glas is helemaal kapot)
  3. Drents: Hij schrouwt asof e in geelbroek zit (=Hard roepen)
  4. Genneps: zö gèèl as ennen dojjer (=Erg geel)
  5. Arnhems: Ik heb een geel zwert hert (=Ik heb een geel zwart hart)
  6. Opglabbeeks: det huiw ich mich in miene geelis (=dat eet ik me helemaal smaakvol op)
  7. Steins: Zich gauw get in dae geeles houwe (=Heel veel en snel eten)
  8. Weerts: ein stök in ziêne geel (=stomdronken)
  9. Sint-Niklaas: van Lotje getikt zin; die mankeer diets; die is nie geellummoal juust (=niet goed wijs zijn)
  10. Sint-Niklaas: geel den batteklang (=alles wat er is)
  11. Sint-Niklaas: van geel de nacht geen oog dicht gedoan ein (=van heel de nacht niet geslapen hebben)
  12. Geels: uit evve nest kome (=opstaan)
  13. Geels: haat em toe (=zwijg eens!)
  14. Sint-Niklaas: geel den annekkusnest (=alles of alles wat er overschiet)
  15. Gents: ij ee trekleer in zijn portefoelde, ij es geel oan zijn gat (=het is een gierigaard)
  16. Sint-Niklaas: ei eé geel dun utsekluts (=alles is van hem)
  17. Geels: hallef ögst (=15 augustus)
  18. Geels: beuzze geve (=ervoor gaan)
  19. Geels: in de plöster (=in het gips)
  20. Geels: ik goan sloape, ik kroawep in mijne nest (=ik ga slapen)
  21. Geels: iemand aachter zen veerre zitte (=iemand opjagen)
  22. Geels: ha heit de paap aon mette gegoven (=iemand die gestorven is)
  23. Geels: Ni blèite, mo frète! (=Niet wenen, maar eten!)
  24. Geels: t gesproken dagblad (=nieuws op de radio)
  25. Geels: hoarpijn hemme (=een kater hebben)
  26. Geels: Een stuk in ewwe frak hemme. (=Dronken zijn.)
  27. Geels: doar hot nen meins (=die is in verwachting)
  28. Geels: ha is zoe zot als tieleboawes (=hij is erg gek)
  29. Geels: 't Is nogal iet (=Het is me wat)
  30. Geels: tzekt (=het regent dat het giet)
  31. Geels: 't regent aa waaven (=het regent heel hard)
  32. Geels: pakt nog es e boefke! (=bijt nog eens van je boterham!)
  33. Geels: ge zijget oant uithange/ambetaanterik (=je begint vervelend te doen)
  34. Geels: Ge zij haorzak aon't speule. (=Je bent vals aan het spelen.)
  35. Geels: die möst naa es altij (=die moppert nu eens altijd)
  36. Geels: Was er oep tellevies vandoag? (=Wat is er op de televisie vandaag?)
  37. Geels: dieje is wa tureluut (=een beetje doortrappen)
  38. Geels: ik doen maan klak af (=alle 13 slagen halen)
  39. Geels: de stiejenweg noar... (=de straat naar...)
  40. Geels: ik zen nie goe (=ik ben ziek)
  41. Geels: oonder de voet stoan (=in de weg staan)
  42. Geels: ne kostganger, e kosmeens (=iemand van het opz)
  43. Geels: ik kös m'n schup af (=ik stop ermee)
  44. Geels: waduur ist? (=hoe laat is het?)
  45. Geels: Get ne verkejede nummer gedroit (=U bent verkeerd verbonden)
  46. Geels: iemand de groond in bore (=van iemand kwaadspreken)
  47. Geels: ge kunt er es dik roond! (=vergeet het!)
  48. Geels: 't regent papestelen (=het regent zeer hard)
  49. Geels: kzen erdeur (=ik ben geslaagd)
  50. Geels: ha heiget oan zane rekker (=hij heeft het zitten)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.