Spreekwoorden

Zoek



4 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `geel`

  1. een geeltje van de plank nemen (=een oude preek herhalen)
  2. groen en geel voor de ogen worden (=duizelen en/of erg van schrikken)
  3. het werd hem groen en geel voor de ogen (=hij werd er erg draaierig van)
  4. je groen en geel ergeren (=je heel erg ergeren aan iets of iemand)

Eén betekenis bevat `geel`

  1. iemand bont en blauw slaan (=iemand zo slaan dat hij een dik gezicht met blauwe en geel blauwe vlekken krijgt.)

Het dialectenwoordenboek kent 77 spreekwoorden met `geel`

  1. Drents: Iene hen geelbroek wèensen (=iemand iets niet gunnen)
  2. Drents: Hij schrouwt asof e in geelbroek zit (=Hard roepen)
  3. Sint-Niklaas: 't glas is geelegans kapot (=het glas is helemaal kapot)
  4. Genneps: zö gèèl as ennen dojjer (=Erg geel)
  5. Sint-Niklaas: geel den batteklang (=alles wat er is)
  6. Geels: hallef ögst (=15 augustus)
  7. Geels: beuzze geve (=ervoor gaan)
  8. Geels: in de plöster (=in het gips)
  9. Sint-Niklaas: geel den annekkusnest (=alles of alles wat er overschiet)
  10. Sint-Niklaas: van geel de nacht geen oog dicht gedoan ein (=van heel de nacht niet geslapen hebben)
  11. Geels: uit evve nest kome (=opstaan)
  12. Geels: haat em toe (=zwijg eens!)
  13. Gents: ij ee trekleer in zijn portefoelde, ij es geel oan zijn gat (=het is een gierigaard)
  14. Geels: Een stuk in ewwe frak hemme. (=Dronken zijn.)
  15. Geels: doar hot nen meins (=die is in verwachting)
  16. Geels: hoarpijn hemme (=een kater hebben)
  17. Geels: 't Is nogal iet (=Het is me wat)
  18. Geels: tzekt (=het regent dat het giet)
  19. Geels: 't regent aa waaven (=het regent heel hard)
  20. Geels: ha is zoe zot als tieleboawes (=hij is erg gek)
  21. Geels: ik goan sloape, ik kroawep in mijne nest (=ik ga slapen)
  22. Geels: ha heit de paap aon mette gegoven (=iemand die gestorven is)
  23. Geels: iemand aachter zen veerre zitte (=iemand opjagen)
  24. Geels: Ni blèite, mo frète! (=Niet wenen, maar eten!)
  25. Geels: t gesproken dagblad (=nieuws op de radio)
  26. Geels: kliejet ew eige oem (=andere kleding aantrekken)
  27. Geels: t woater zuijt (=het water kookt)
  28. Geels: den dieje is op zenne smikkel gegoan (=hij is gevallen)
  29. Geels: 't reigent aa muijers (=het giet water)
  30. Geels: tis zeunt (=het is zonde/ wat jammer)
  31. Geels: Da deenk (=Dat zal wel zijn)
  32. Geels: das ni zjust (=dat klopt niet)
  33. Geels: nen aawen toeker (=een oudere man)
  34. Geels: in de jeer dabbe (=in de aarde (grond) graven)
  35. Geels: onder de voet stoan (=in de weg staan)
  36. Geels: over aa kopke rösse (=over je hoofd aaien)
  37. Geels: mee de poepers zitte , ze napen , (=schrik hebben)
  38. Geels: in de raa zijn (=vuile nagels hebben)
  39. Geels: pakt nog es e boefke! (=bijt nog eens van je boterham!)
  40. Geels: die möst naa es altij (=die moppert nu eens altijd)
  41. Geels: Ge zij haorzak aon't speule. (=Je bent vals aan het spelen.)
  42. Geels: ge zijget oant uithange/ambetaanterik (=je begint vervelend te doen)
  43. Geels: Was er oep tellevies vandoag? (=Wat is er op de televisie vandaag?)
  44. Geels: ik doen maan klak af (=alle 13 slagen halen)
  45. Geels: dieje is wa tureluut (=een beetje doortrappen)
  46. Geels: de stiejenweg noar... (=de straat naar...)
  47. Geels: waduur ist? (=hoe laat is het?)
  48. Geels: ik zen nie goe (=ik ben ziek)
  49. Geels: ik kös m'n schup af (=ik stop ermee)
  50. Geels: oonder de voet stoan (=in de weg staan)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.