Spreekwoorden

Zoek



1653 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ge`

  1. 'm van katoen geven (=zich flink inspannen - een berisping geven)
  2. 't Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt. (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest.)
  3. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan. (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden.)
  4. (goed) begonnen is half gewonnen. (=wat niet aangevangen wordt komt ook nooit af. / Wanneer het begin van iets goed is, is de kans groter dat het goed eindigt.)
  5. (vaak toegeschreven aan Erasmus, maar komt iets anders al voor in de Griekse klassieken.) (=)
  6. aal is geen paling (=het mindere is niet gelijk aan het meerdere)
  7. aalmoezen geven verarmt niet (=van een aalmoes te geven wordt men zelf niet armer)
  8. aan alle heilige huisjes aanleggen (=alle café's onderweg bezoeken)
  9. aan alle kapelletjes aanleggen (=alle café's onderweg bezoeken)
  10. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  11. aan banden leggen (=de vrijheid beperken)
  12. aan de dag leggen (=vertonen)
  13. aan de degen rijgen (=tot (zwaar) verliezer maken)
  14. aan de grond genageld (=perplex, verbaasd.)
  15. aan de grote klok hangen (=algemeen bekend maken)
  16. aan de heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scrupules)
  17. aan de klok(reep) hangen (=algemeen bekend maken)
  18. aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
  19. aan de lus hangen (=recht blijven staan in tram of bus)
  20. aan de man brengen/helpen (=verkopen)
  21. aan de pan blijven hangen/kleven (=zich om bestwil ergens mee bemoeien maar er slecht afkomen)
  22. aan de pan gelikt hebben (=slecht terechtkomen of veel schade hebben)
  23. aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
  24. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  25. aan de Turken overgeleverd zijn. (=slecht behandeld, bedrogen, mishandeld worden)
  26. aan de veren kent men de vogel. (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  27. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past. (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen.)
  28. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet. (Naar Hieronymus van Alphen) (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden.)
  29. aan een zijden draadje hangen (=de kansen zijn nog niet verkeken, maar het scheelt erg weinig)
  30. aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
  31. aan elkaar hangen als droog zand (=geen enkele samenhang vertonen)
  32. aan gene zijde van het graf (=na de dood)
  33. aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kunnen)
  34. aan het klokzeel hangen (=bekend maken)
  35. aan het licht brengen (=bekend maken (bijz. van ongunstige dingen))
  36. aan het verstand brengen (=duidelijk maken)
  37. aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
  38. aan iemands voeten liggen (=iemand vereren, een absolute fan van iemand zijn.)
  39. aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in raken, ermee bezig blijven)
  40. aan lager wal geraken (=fortuin verliezen; arm en berooid worden.)
  41. aan mijn lijf geen polonaise (=van mij moet je afblijven)
  42. aan zijn broek krijgen (=ermee opgescheept worden)
  43. aan zijn eerste leugen niet gebarsten en voor zijn tweede niet opgehangen zijn (=een grote leugenaar zijn)
  44. aan zijn gerief komen (=vinden wat men nodig heeft (inz. sex. behoeften))
  45. aan zijn neus hangen (=hem inlichten)
  46. aan zijn snoer rijgen (=tot volgeling maken)
  47. aanzien doet gedenken (=wat men met eigen ogen gezien heeft, is gemakkelijker te onthouden)
  48. aap wat heb je mooie jongen (=sarcastische opmerking over iemand die wat al te trots is op iets.)
  49. aap wat heb je mooie jongen spelen (=iemand vleien (tegen zijn zin))
  50. Abraham gezien hebben. (=50 jaar of ouder zijn.)

2410 betekenissen bevatten `ge`

  1. een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest. (=(doch dat nooit op zal dagen. Zo heeft men meer te dragen, dan God te dragen geeft. Nic. Beets))
  2. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  3. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt.)
  4. in de schoenen schuiven (=(vaak onterecht) beschuldigen)
  5. haarscherp (=(van een afbeelding) getrouw tot in fijne details.)
  6. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  7. aan de bak komen. (=aan de beurt komen; een baan krijgen.)
  8. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  9. tegen de klippen op gaan (=aan een stuk doorgaan (met liegen))
  10. als een paal boven water staan. (=aan geen twijfel onderhevig zijn.)
  11. lapsus memoriae (=aan het geheugen ontsnapt)
  12. fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
  13. plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
  14. aan beurt komen (=aan werk geraken)
  15. op de grote trom slaan (=aandacht proberen te krijgen voor diens zaak)
  16. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  17. het oor strelen (=aangenaam in de oren klinken)
  18. in het vat gieten (=aanleggen)
  19. de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)
  20. op de vingers tikken (=aanmerkingen maken)
  21. op zich laten zitten (=aanvaarden zonder tegenstand)
  22. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  23. iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
  24. het op de klompen aanvoelen (=achterafgepraat - Dat had men kunnen weten)
  25. het achter de ellebogen hebben (=achterbaks; zonder zijn zelfzuchtige bedoelingen te laten zien.)
  26. zijn leven in de waagschaal stellen (=actie ondernemen waarbij het eigen leven in gevaar kwam)
  27. de barricades opgaan. (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juist tegen te houden.)
  28. de zweep erop leggen (=afdrijven, opjagen)
  29. van God en alle mensen verlaten (=afgelegen; stil)
  30. lik op stuk krijgen/geven. (=afgestraft worden/afstraffen)
  31. een blauwe scheen lopen (=afgewezen worden)
  32. een korf krijgen (=afgewezen worden)
  33. een blauwtje lopen (=afgewezen worden (in de liefde))
  34. voor heter vuren gestaan hebben (=al groter problemen gekend hebben)
  35. vragen kost geen geld (=al heb je weinig kans, je kan het in elk geval maar vragen)
  36. jaar en dag (=al heel lange tijd)
  37. de lijdensbeker tot de bodem ledigen (=al het slechte, tot het laatste toe, over zich heen krijgen)
  38. al lang en breed (=al lange tijd)
  39. sinds jaar en dag (=al lange tijd)
  40. sinds mensenheugenis (=al lange tijd)
  41. kunnen lezen en schrijven (=al lange tijd goede diensten bewezen hebben)
  42. een glaasje op hebben. (=alcohol te hebben genuttigd)
  43. aan de grote klok hangen (=algemeen bekend maken)
  44. aan de klok(reep) hangen (=algemeen bekend maken)
  45. in de lucht zitten (=algemeen voorkomen)
  46. tot de bedelstaf/bedelzak brengen (=alle aardse bezittingen ontnemen)
  47. de toets doorstaan (kunnen) (=alle antwoorden op vragen/problemen weten)
  48. het tafellaken doorsnijden (=alle bindingen met iemand verbreken)
  49. geld stinkt niet. (=alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan.)
  50. het doel heiligt de middelen (=alle middelen zijn toegelaten, zolang het doel maar bereikt wordt)

Het dialectenwoordenboek kent 325 spreekwoorden met `ge`

  1. Maldegems: jet a boale ge'ed (=hij is rijk)
  2. Westerkwartiers: hij 's niet ien tel (=hij wordt niet geacht)
  3. Munsterbilzen - Minsters: daaj hèt vossekloete geaete (=die is geslepen)
  4. Munsterbilzen - Minsters: vossekloete geaete hèbbe (=slim zijn)
  5. Bredaas: gij moaak het licht nog nieje uit man geak (=jij maakt het licht niet uit)
  6. Bilzers: viël wottele (wéttelkes) geaete (=gebruinde huid)
  7. Munsterbilzen - Minsters: vossekloete geaete hèbbe (=geslepen zijn)
  8. Munsterbilzen - Minsters: ürges èn tiëge geaete (=teveel van iets gegeten)
  9. West-vlaams: J' es moa g'acht lik 't oor an zin skoen (=Hij wordt volledig miskend. (hij is maar geacht als de modder aan zijn schoenen))
  10. Munsterbilzen - Minsters: ich hoch temèt geaete en gedroenke (=toen hoefde het niet meer)
  11. Steenbergs: Ik 'eb 'et je nog zo gezeed ge'ad! (=Ik heb het je nog gezegd!)
  12. Twents: Old geald en oale wief ko`j kwiet in klingelbuul. * (=In een geld budel kan je allls kwijt)
  13. Bilzers: doë hûb ich gene keis van geaete (=daar heb ik geen verstand van)
  14. Munsterbilzen - Minsters: doë hüb ich gene keis van geaete (=daar ken ik niks van)
  15. Munsterbilzen - Minsters: daaj hèt vieël temaate geaete (=die heeft rode wangen !)
  16. Munsterbilzen - Minsters: hae hoch te weineg lëtters geaete (=de drukker kon er niet meer aan uit)
  17. Munsterbilzen - Minsters: as ich daaj zien, höb ich al geaete en gedroenke (=die vrouw haat ik !)
  18. Twents: A'j om t geald trouwd bint, he'j ne koo in n stal en n vearkn in berre! (=Als je om het geld bent getrouwd heb je koe in de stal een een varken in bed.)
  19. Sinttruins: Wa (=Wat zegt ge)
  20. Gents: ge kunt nogal wurtele (=ge kunt nogal zagen)
  21. Brussels: antwoord: As kaa zeen stoet maaine slinger (=als ge zegt: ge zaat nen ingel)
  22. Munsterbilzen - Minsters: de bés ne flaë plezante (=meent ge nu echt dat ge interessant zijt)
  23. Neerharens: laup noa de poomp (=ge kunt me wat)
  24. Heusdens: treuzelt is ebitskeminner (=ge moet zo niet treuzelen)
  25. Antwerps: no wor eddet (=waar ge je heen)
  26. Sint-Katelijne-Waver: ge krègt het nie al ginde oep aave kop staan (=ge krijgt het onder geen voorwendsel)
  27. Lichtervelds: ge zult de bolln meugn kièèrn (=ge zult de gevolgen moeten dragen)
  28. Westels: Wa ge ruurt da ge stuurt da ge meevuurt. (=Wat je opschept moet je opeten.)
  29. Hamonter: shiet mich (=ge kunt mij de pot op)
  30. Bilzers: asset nie verstees moesset mér verzitte (=ge zult het wel verstaan)
  31. Lummens: Kiekt moe da der loept en loept moe da der kiekt (=Zie waar ge loopt en loopt waar ge ziet)
  32. Diesters: get et lijveke vast (=ge hebt een gemakkelijk leven)
  33. Bilzers: paajn ont lépke ? (=hebt ge u weer pijn gedaan ?)
  34. West-Vlaams: go goan zanten ! (=maak dat ge weg komt !)
  35. Bilzers: doeë kraai(g)ste de krélkeszeek van (=daar krijgt ge het van)
  36. Tongers: hot oer möle tauw veur dè (=ge moet hem niet geloven)
  37. Lichtervelds: geet doa gièèn affêirns mee (=ge moet u daarmee niet bemoeien)
  38. Aalsters: da za teigen à jaket zèn (=ge moet er niet op rekenen)
  39. Tongers: nèmt hèt nie op oer oage heui ! (=ge moet het niet proberen hoor !)
  40. Oudenbosch: ge mottum wa zout op z ne steert le-ge (=zie hem te pakken te krijgen)
  41. Buggenhouts: Ni miër wiëten van welke paroche da ge zoit (=Niet meer weten van welke parochie dat ge zijt)
  42. Sint-Niklaas: leigt er ô kop (ô neus) bè als 't ô nie oastot (=als ge ontevreden bent....)
  43. Sint-Katelijne-Waver: dan smaaten ze mee aa biëne (=Dan zijt ge al lang overleden)
  44. Zurriks: ge moet ni Hé rope vurdè ge over de OA bent (=Niet te vroeg juichen)
  45. Aalsters: ge zetj nene dommen kloejt/ge zetj ne simmen (=u bent een niet al te slimme persoon)
  46. nieuwkuijks: ge meugd gaon (=je mag gaan)
  47. Gents: ge keun mijn uure kusse (=bekijk het maar)
  48. Waregems: ge meug wedd'n (=geen twijfel mogelijk)
  49. Kortrijks: ge ziet ter tweés deure (=het is transparant)
  50. Loksbergs: ge kunt er es enhange (=Dat doe ik niet)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.