Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


27 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `boter`

  1. als een warm mes door de boter. (=als iets erg makkelijk of geleidelijk gaat.)
  2. boter aan de galg smeren (=tevergeefse moeite doen, iets zal niet helpen)
  3. boter bij de vis (=betaling bij de levering)
  4. boter op je hoofd hebben (=zelf ook schuldig zijn)
  5. botertje aan de boom zijn / Het is botertje tot de boom (=alles gaat goed zonder problemen)
  6. daar is een haartje in de boter (=daar is ruzie of wrijving)
  7. dat is een klontje boter uit zijn pap (=dat kost een flink deel van zijn fortuin)
  8. de boter alleen op zijn koek willen hebben (=de anderen niets gunnen - zelf alles willen hebben)
  9. de boter en de kaas te dik gesneden hebben (=te veel verteerd hebben)
  10. een boterham met tevredenheid (=een (droge) boterham (zonder beleg))
  11. een haar in de boter vinden/zoeken (=op het kleinste detail vitten)
  12. een kruisje is genoeg voor een boterham uit het vuistje (=voor een gewone broodmaaltijd moet niet teveel gebeden worden)
  13. een natte mei geeft boter in de wei (=weerspreuk)
  14. er de boter uit braden (=het ervan nemen)
  15. het botert niet tussen hen (=ze kunnen niet goed met elkaar over weg.)
  16. het botert niet tussen hen (=ze kunnen niet zo goed met elkaar overweg => geïrriteerd)
  17. het is boter aan de galg gesmeerd (=het is zinloos, het kan niet helpen)
  18. het op je boterham krijgen (=een stevig standje incasseren.)
  19. het smelt als boter in de mond (=(van eten) het is erg mals)
  20. hij braadt er de boter uit (=hij neemt het ervan)
  21. je doet de boter in de pan, maar bakt er niks van. (=denken dat je iets begrijpt, terwijl je dat niet doet.)
  22. met de neus in de boter vallen (=door geluk rijk geworden zijn)
  23. met zijn gat in de boter vallen (=(onverwacht) goed terechtkomen.)
  24. met zijn neus in de boter vallen (=(Onverwacht) goed terechtkomen.)
  25. vuile boter, vuile vis (=Zonder goed gereedschap bereik je geen goede resultaten)
  26. wie boter op zijn hoofd heeft moet niet in de zon lopen (=wie schuldig is houdt zich best gedeisd)
  27. zo glad als boter (=erg glad - moeilijk te pakken te krijgen)

3 betekenissen bevatten `boter`

  1. dun van leer en dik van smeer (=dunne boterham die dik gesmeerd is)
  2. een boterham met tevredenheid (=een (droge) boterham (zonder beleg))
  3. een goeie vis moet drie keer zwemmen (=in het water, in de boter of kookvocht en in de wijn)

Het dialectenwoordenboek kent 59 spreekwoorden met `boter`

  1. Evergems: te t'eten, stutten mee boatre of magriene (=eten, boterhammen met boter)
  2. Sint-Niklaas: zin de botterrammen al gebreed? (=is er al boter op de boterhammen?)
  3. Zeeuws: rijst met botersaus en stokvis (=traktatie)
  4. Zeeuws: dikke stikken stieve rikken (=dik gesneden boterhammen)
  5. Arendonks: guwd as botermelk (=brave mens)
  6. Tilburgs: tusse die tweej is ut pik èn pook (=het botert niet tussen die twee)
  7. Sint-Niklaas: de boter is rengs (rangs) (=de boter is sterk)
  8. Heerlens: knoa botter (grote hoeveelheid is altijd gebruikelijk) (=klontje boter)
  9. Giethoorns: De laatste drop,is de boterknop (=Bij borstvoeding.de borst flink leeg laten drinken)
  10. Overmeers: nen boot eten (=een boterham eten)
  11. Tilburgs: unne mikken botteram (=een boterham van wittebrood)
  12. Zeels: der zit een håer in de botere (=ruzie hebben)
  13. Leefdaals: nen bau in perekes (paardjes) (=boterham in partjes gesneden)
  14. Vrasens: nen botram brieën (=een boterham smeren)
  15. Oudenbosch: bliefde gij ne botteram (=wil je een boterham)
  16. Sint-Niklaas: iemand een kotering, botering geven (=iemand een rammeling geven)
  17. Geldermalsens: hij schup nog gin deuk in un pakske botter (=pakje boter)
  18. Flakkees: ut vleis iszo gaer as 'n daauwtje (=zo gaar als boter)
  19. Sint-Niklaas: gè zè precies botermaalk (=gij ziet er zo bleek uit)
  20. Geels: pakt nog es e boefke! (=bijt nog eens van je boterham!)
  21. Sint-Niklaas: zènne schoofzak meepakken (=een zak met boterhammen meenemen naar het werk)
  22. Heusdens: bieeter n'snee me` stroep,as gien snee (=beter een boterham met siroop,als geen boterham)
  23. Bilzers: de barremijter steed op stürm (=er is een haar in de boter)
  24. Flakkees: vleis is zo gaer as'n daauwtje (=vlees is zo gaar als boter)
  25. Kalforts: Puurs komt alleen naar Kalfort voor botermelk en pirrewitjes (=Kalfort is te min voor die van Puurs)
  26. Munsterbilzen - Minsters: onder zen dauve lotte sjiete (=zich de kaas van de boterham laten nemen)
  27. Marine jargon (veelal Maleis): sneetje vastwerken (=boterham om 16.00.)
  28. Avelgems: Nen bootram brieën (=Een boterham smeren)
  29. tervurens: petrol in de soep (=een haar in de boter)
  30. Overmeers: 'n kloontsen bootre (=een kluitje boter)
  31. Teralfene: e porteuken tuu den beuteram (=had u graag een porto bij uw boterham)
  32. Bilzers: dreig braud (=boterham met zonder iets op)
  33. Sint-Niklaas: ' nen drogen botterram (=een boterham zonder beleg)
  34. Steins: mit de vot in de boter vallen (=een gelukstreffer hebben)
  35. Londerzeels: hij es me zij gat in de boter gevallen (=hij is goed terecht gekomen)
  36. Flakkees: het vleis is gaer as een daauwtje (=het vlees is zo gaar als boter)
  37. Munsterbilzen - Minsters: aet nog e bufke (=bijt nog eens in je boterham)
  38. Munsterbilzen - Minsters: aste én goeje leemgrond te diep gees zaeë, kumpter niks van aut (=veel boter in de pan hebben, maar er niets van bakken)
  39. Gents: ter zit een oar in de boter/de katte zit in d'orloge/tes lagirre (la guerre) (=ruzie hebben)
  40. Munsterbilzen - Minsters: zen snië dër de pan sloore (=zijn boterham dik door het pannevet trekken)
  41. Walshoutems: Bei wa moet ich oer taat plekke (=Waarmee moet ik je boterham smeren/beleggen)
  42. Valkenswaards: Op 'n aander is unne boterham altij lekkerde dan thuis (=Het is altijd groener aan de overkant)
  43. turnhouts: D'r zit een haar in de boter (=ruzie in het huishouden)
  44. Fries: boeter brea en griene tsies wie dat net sizze kin is gjin oprjuchte fries (=boter brood en groene kaas wie dat niet kan zeggen is geen oprechte fries)
  45. Langemarks: 't Zit doar e scheete verdroaid (=Daar zit een haar in de boter:)
  46. Sint-Niklaas: de boter zal gon opsloagen (=als het kietelt in je handpalm.... zegt men...)
  47. Lokers: ij is mee zei gat in de boter gevaulen (=een gelukkig iemand)
  48. Gents: der zit en hoar in de boter (=er is ruzie)
  49. Gents: 't es boter bij de vis (=kontante betaling)
  50. Zurriks: Alles noavenant, as boter op de vloajka-nt (=Zeer royaal doen)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen