Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

Eén spreekwoord bevat `boos`

  1. het is bar en boos. (=het is heel erg; het is heel slecht.)

20 betekenissen bevatten `boos`

  1. wie zijn klomp breekt, schiet gemakkelijk uit zijn slof. (=als je wordt teleurgesteld, kun je gemakkelijk boos worden.)
  2. op stang jagen/rijden (=boos maken)
  3. met opgestoken/opgestreken/opgezet zeil naar iemand toe gaan (=boos naar iemand toe gaan of boos bij iemand binnen komen)
  4. op zijn poot spelen. (=boos uitvallen.)
  5. de gal loopt over (=boos worden)
  6. in de gordijnen klimmen (=boos worden)
  7. op je achterste benen gaan staan. (=boos worden; ergens fel tegen protesteren; het ergens helemaal niet mee eens zijn.)
  8. met een opgestoken zeil (=driftig, boos)
  9. met een staand zeil (=driftig, boos)
  10. uit zijn slof schieten (=erg boos worden, erg actief worden)
  11. gauw op de teentjes getrapt zijn (=erg gauw boos en beledigd zijn)
  12. de stoom komt uit zijn oren (=hij is heel erg boos)
  13. kwaad bloed zetten (=iemand boos maken)
  14. iemand tegen zich in het harnas jagen (=iemand door de eigen toedoen boos maken)
  15. een potje kunnen breken (bij iemand) (=iemand wordt niet gauw boos)
  16. uit zijn slof schieten (=kwaad uitvallen, boos worden )
  17. tegen de vleug strijken (=prikkelen, boos maken)
  18. kortaangebonden zijn (=snel boos zijn)
  19. op hoge poten. (=zeer boos, verontwaardigd.)
  20. op zijn achterste poten gaan staan (=zo veel mogelijk moeite doen / boos worden)

Het dialectenwoordenboek kent 27 spreekwoorden met `boos`

  1. Westerkwartiers: wolv'm verscheur'n 'n anner niet (=booswichten steunen elkaar)
  2. Zeeuws: ie baaien wig (=boos weglopen)
  3. Wommersoms: kowwet zen (=boos zijn)
  4. Zeeuws: in z'n dull'n schieten (=boos worden)
  5. Aarschots: koleireg weudde (=boos worden)
  6. Brabants: Zijde geraokt? (=ben je boos en beledigd?)
  7. Zeeuws: k e den es hoed zn zn vrahen op e vroohen (=boos)
  8. Gents: ij ee nen pinker in zijn gat (=hij is boos)
  9. Veurns: oendevroed zien (=Heel boos zijn)
  10. Zeeuws: dat kom nie uut dn hoeien oek (=boos gezegde)
  11. Hamonter: Wie ne hoan op ne knoerselebos. (=boos kijken.)
  12. Aarschots: van ave toeker moake (=boos worden)
  13. Zeeuws: ie is noh a houw an e brand (=iemand die vlug boos is)
  14. Lovendegems: uit zijn vel schieten (=plots zeer boos zijn*)
  15. Boakels: ze raid 'm (=ze is boos)
  16. Veurns: in een sterre zien (=boos, in een heel slecht humeur zijn)
  17. Twents: heehef 't hemd kort veur de boks, bokse zitten. (=Hij is snel boos)
  18. Overpelts: hij is in zén koont gebete (=hij is boos)
  19. Harelbeeks: Ie mak nog oal goe van zyn'n deuvle (=Hij maakt zich nogal boos)
  20. Twents: hellig in de bott'n (=heel boos)
  21. Munsterbilzen - Minsters: van zenen tak maoke (=zich boos maken schreeuwen)
  22. Overpelts: Trekt nie zoen lank gezeecht (=kijk eens niet zo boos)
  23. Harelbeeks: Ie mak noog ol goe van zyn'n deuvle (=Hij maakt zich nogal boos)
  24. Munsterbilzen - Minsters: ich kos mich van piere sjangering wol on de kop howe (=ik was boos op mezelf)
  25. Sint-Niklaas: ei zit mè zèn uren (=hij is boos en niet aan te spreken)
  26. Arnhems: Mojje un heis veur je treitah? (=Nou wegwezen voordat ik boos word!)
  27. Westerkwartiers: kiek mij niet zo lelk aan (=kijk niet zo boos naar mij)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen