Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


29 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `been`

  1. als twee honden vechten om een been loopt de derde ermee heen (=een derde profiteert van de ruzie van twee anderen)
  2. blok aan het been (=een hinderpaal, iets wat vertraging meebrengt)
  3. dat houdt me op de been. (=dat zorgt ervoor dat ik door kan blijven gaan; daardoor houd ik het vol.)
  4. door merg en been dringen/snijden (=buitengewoon kwetsend of doordringend zijn)
  5. door merg en been gaan (=hartverscheurend zijn)
  6. een beentje lichten (=doen struikelen (letterlijk of figuurlijk))
  7. een blok aan het been. (=een last bij het voortgaan.)
  8. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  9. ergens geen been in zien (=ergens geen probleem in zien, bv in te liegen)
  10. geen been aan de grond krijgen (=voorstel werd niet aangenomen)
  11. geen been hebben om op te staan (=geen enkele verantwoording kunnen geven)
  12. geen vlees zonder been (=niets zonder gebreken)
  13. het been stijf houden (=niet toegeven.)
  14. het beste beentje voor zetten (=je uiterste best doen)
  15. het is een pleister op een houten been. (=het is een nutteloos voorstel.)
  16. iemand een beentje lichten (=iemand onderkruipen)
  17. iemand op het verkeerde been zetten. (=iemand ergens een verkeerde indruk van geven, waardoor hij of zij iets gaat denken wat helemaal niet klopt.)
  18. met een been in het graf (=bijna dood, ernstig ziek)
  19. met het ene been in het graf staan (=niet lang meer te leven hebben)
  20. met het verkeerde been uit bed stappen (=een slecht humeur hebben)
  21. op de been blijven. (=blijven staan; niet ziek worden; niet verslagen worden.)
  22. op de been zijn. (=ergens zijn; niet langer ziek zijn.)
  23. steen en been klagen. (=luid en heftig klagen.)
  24. tegen het zere been schoppen (=een pijnlijke opmerking maken over iets wat gevoelig ligt.)
  25. van kindsbeen af (=van jongsaf aan)
  26. vel over been zijn (=erg mager zijn)
  27. vlees en been bezitten (=niet mager en eerder groot zijn)
  28. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen. (=als twee strijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gestreden wordt.)
  29. zijn beste beentje voorzetten (=iets zo goed mogelijk doen.)

Het dialectenwoordenboek kent 68 spreekwoorden met `been`

  1. Waregems: lieëge van stirtebieën (=klein van gestalte, met korte beentjes)
  2. Enschedees: ie beent heelmoal vaan't rabbat (=ik ben van slag)
  3. Rijssens: stoande beens (=terloops)
  4. Heusdens: guddis rap ne deslachter (=ga eens vlug naar de beenhouwer)
  5. Bilzers: seffes geetter dür zen spikke (binkes) (=wat dunne beentjes)
  6. Deinzes: beentje smijdn (=van z'n jetje geven)
  7. Twents: den löp met beide beene in eene piepe (=hij is heel onhandig)
  8. Walshoutems: allel e pueteke huutkees bij de bienoor hoale (=Vlug een potje hoofdkaas bij de beenhouwer halen)
  9. Genneps: Iemes peutje lappen (=Iemand beentje lichten)
  10. Westerkwartiers: hij ging vot met de steert tuss'n de been'n (=hij droop af)
  11. Ninoofs: En aspergebeun, t vel oever de beenen (=Mager zijn)
  12. Westerkwartiers: hij moet op eig'n been'n stoan (=hij moet zelfstandig worden)
  13. Waregems: been'n u letse ben ik doar (=ik kom spoedig ter hulp)
  14. Rijssens: Nen skoer duur de beene krieg'n (=Op z'n kop krijgen)
  15. Bilzers: op zen lêp hêbbe (=aan zijn been hebben)
  16. Munsterbilzen - Minsters: hae hèt ne blok on ze been (=de aanemer klaagt steen en been)
  17. Melseels: slecht op zijne gank zijn (=slecht te been zijn)
  18. Weerts: De tón es nog good, mer de raajer douge neet mieër (=Hij is slecht ter been)
  19. Liedekerks: kem zieje o men biejen (=Ik heb pijn aan men been)
  20. Westerkwartiers: d'r waar'n veul mens'n bij 't pad (=er was veel publiek op de been)
  21. Munsterbilzen - Minsters: ze lëp op her leste been (=ze gaat binnenkort bevallen)
  22. Sint-Niklaas: iemand poütsje schjeiren (=iemand laten vallen over je uitgestoken been)
  23. Oudenbosch: da waar tegenut zeer been (=dat beviel helemaal niet)
  24. Munsterbilzen - Minsters: watte kop vergit, moete de been besniete (=vergeten is bekopen)
  25. Bilzers: zich de been onder et lijf autloope (=zeer hard lopen)
  26. Bilzers: op zen been ston te kwakkele (=op zijn benen staan te trillen)
  27. Bilzers: mét zene stat tësse zen been vertrékke (=als een angsthaas weglopen)
  28. Westels: het hangt niet aan uw been (=het zit niet in de weg)
  29. Munsterbilzen - Minsters: op zen leste been loope (=niet lang meer leven)
  30. Genneps: zich de been onder de kó.nt uut lope (=zich erg inspannen)
  31. Bilzers: Wo de kop vergit, moette de been besniete. (=Het zijn de knechten die moeten opdraaien voor de fouten van de meester.)
  32. Bilzers: Taesse twelf en één és gee goed volk opte been (='s nachts is niets te zoeken op straat)
  33. Bilzers: daaj hètte sjummel tèsse hër been ston (=daar is in jaren geen man meer aan geweest)
  34. Munsterbilzen - Minsters: hae hoch et pak on zen been (=de expediteur stuurde alles in 't honderd)
  35. Munsterbilzen - Minsters: maok tich mèr geen dikke been, din èste maude (=hou je maar rustig)
  36. Munsterbilzen - Minsters: maok tich mèr geen dikke been (din èste maude) (=wind je maar niet op !)
  37. Munsterbilzen - Minsters: de kons zen knieëk tëlle (='t is vel over het been)
  38. Westerkwartiers: één om 'e tuun leid'n (=iemand op het verkeerde been zetten)
  39. Munsterbilzen - Minsters: wot de kop vergit, moete de been besniete (=als je niet goed oplet ,heb je dubbel werk)
  40. Oudenbosch: ge kun z n knoke telle (=hij is vel over been)
  41. Fries: jo frou hat mar ien skonk (=uw vrouw is slecht ter been)
  42. Weerts: Det waas tieëge 't kepélke gepisj (=Dat was tegen het zere been getrapt)
  43. Sint-Niklaas: ei goa kramakkug (=hij is slecht te been en mankt wat)
  44. Munsterbilzen - Minsters: de bès terbij (=je hebt het spek aan je been)
  45. Munsterbilzen - Minsters: mèt de kaar geetet nog, mèr de raer dooge nimei (=slecht te been zijn)
  46. West-Vlaams: tieluk ip joen stik'n zyn (=vroeg op de been zijn.)
  47. Bilzers: zen been vanonder ze lijf lope (=alle moeite doen)
  48. Giethoorns: Trek et aachterste been ies wat an (=Schiet eens wat)
  49. Diems: Atte ooievaer op 1 been steet isse nie meer maagd (=Als de ooievaar op 1 been staat is die zwanger)
  50. Volendams: Un snoek is niet groot, moar ij bèèt wél je bien erof (=Een snoek is niet groot, maar hij bijt wel je been eraf)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen