Zoek spreekwoorden met het woord:


0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 Volgende



745 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `aan`


1) (vaak toegeschreven aan Erasmus, maar komt iets anders al voor in de Griekse klassieken.) (=)
2) aan alle heilige huisjes aanleggen (=alle café's onderweg bezoeken)
3) aan alle kapelletjes aanleggen (=alle café's onderweg bezoeken)
4) aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
5) aan Bacchus offeren (=te veel alcoholhoudende drank nuttigen)
6) aan bacchus offeren (=veel drinken)
7) aan banden leggen (=de vrijheid beperken)
8) aan beurt komen (=aan werk geraken)
9) aan de bak komen. (=aan de beurt komen; een baan krijgen.)
10) aan de balk schrijven (=nota nemen van iets ongewoons)
11) aan de bedelstaf raken. (=in een situatie terechtkomen waarin je geen geld of bezittingen meer hebt en dus heel arm bent.)
12) aan de bel trekken. (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt.)
13) aan de beterende hand zijn (=langzaam genezen, herstellen)
14) aan de beterhand (=genezend, herstellend)
15) aan de boemel gaan (=gaan fuiven)
16) aan de boemel zijn (=fuiven)
17) aan de dag leggen (=vertonen)
18) aan de degen rijgen (=tot (zwaar) verliezer maken)
19) aan de dijk zetten (=ontslaan)
20) aan de draai houden (=bezig houden)
21) aan de fep zijn (=(overmatig) drinken)
22) aan de galg komen (=ter dood veroordeeld worden)
23) aan de groene tafel zitten (=bestuurslid zijn)
24) aan de grond genageld (=perplex, verbaasd.)
25) aan de grond zitten (=bankroet of totaal uitgeput zijn)
26) aan de grote klok hangen (=algemeen bekend maken)
27) aan de haak slaan (=te pakken krijgen)
28) aan de haal gaan (=ergens mee vandoor gaan)
29) aan de hand doen (=bezorgen)
30) aan de hand van (=door middel van)
31) aan de heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scrupules)
32) aan de kaak stellen (=het 'verkeerde' hekelen of bekend maken)
33) aan de klok(reep) hangen (=algemeen bekend maken)
34) aan de knikker (=aan de hand)
35) aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
36) aan de leiband lopen (=erg volgzaam zijn)
37) aan de lopende band. (=aan één stuk door; steeds maar weer.)
38) aan de lus hangen (=recht blijven staan in tram of bus)
39) aan de man brengen/helpen (=verkopen)
40) aan de middelhand zitten (=niet eerst of laatst moeten spelen)
41) aan de orde van de dag zijn (=vaak voorkomen)
42) aan de oren naaien (=wijsmaken)
43) aan de pan blijven hangen/kleven (=zich om bestwil ergens mee bemoeien maar er slecht afkomen)
44) aan de pan gelikt hebben (=slecht terechtkomen of veel schade hebben)
45) aan de pimpel zijn (=sterkedrank drinken)
46) aan de rand van het graf staan (=bijna dood zijn)
47) aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen. (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico's)
48) aan de scharrel zijn (=verkeren zonder verloofd of getrouwd te zijn)
49) aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
50) aan de slag gaan (=beginnen met werken)

818 betekenissen bevatten `aan`


1) benen maken (=(haastig) weggaan)
2) het zwaard aangorden (=(zich klaarmaken om) de strijd aan (te) binden)
3) er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan. (=aan alles komt een einde.)
4) wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
5) aan de bak komen. (=aan de beurt komen; een baan krijgen.)
6) aan de knikker (=aan de hand)
7) op kop staan (=aan de leiding staan)
8) op het kussen helpen (=aan de macht helpen)
9) op het kussen zitten (=aan de macht zijn)
10) aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
11) aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden / beloven, maar steeds weer uitstellen)
12) de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
13) in hetzelfde gasthuis ziek liggen (=aan dezelfde kwaal lijden)
14) as is verbrande turf. (=aan een belofte (as = als) heb je niets)
15) in de zadel helpen/zetten (=aan een goede positie helpen)
16) aan de lopende band. (=aan één stuk door; steeds maar weer.)
17) tegen de klippen op gaan (=aan een stuk doorgaan (met liegen))
18) als een paal boven water staan. (=aan geen twijfel onderhevig zijn.)
19) lapsus memoriae (=aan het geheugen ontsnapt)
20) op het sleeptouw houden (=aan het lijntje houden)
21) op tui houden (=aan het lijntje houden)
22) aan de veren kent men de vogel. (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
23) de kap maakt de monnik niet (=aan het uiterlijke kan men het innerlijke niet beoordelen)
24) in het getouw (=aan het werk)
25) in het gareel slaan (=aan het werk zetten)
26) in het gareel spannen (=aan het werk zetten)
27) over de drempel komen (=aan huis komen)
28) van de daken schreeuwen (=aan iedereen kenbaar maken)
29) niet in iemands schaduw kunnen staan (=aan iemand absoluut niet kunnen tippen)
30) fiolen van toorn over iemand uitstorten (=aan iemand duidelijk laten blijken dat je kwaad op diegene bent)
31) bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
32) iemands maat niet kunnen halen (=aan iemand niet kunnen tippen)
33) bij iemand nog wel kunnen schoolgaan (=aan iemand nog een voorbeeld kunnen nemen)
34) plat op de buik gaan (=aan iemand toegeven, zich overleveren)
35) iemand scheef aankijken (=aan iemand zijn afkeuring laten blijken)
36) tegen iets aan gooien (=aan iets besteden)
37) het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
38) van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets.)
39) naar zijn hielen omzien (=aan vluchten denken)
40) aan beurt komen (=aan werk geraken)
41) ruw laten stikken (=aan zijn lot overlaten)
42) in zijn eigen sop gaar laten koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
43) in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
44) op de grote trom slaan (=aandacht proberen te krijgen voor diens zaak)
45) aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
46) het oor scherpen/spitsen (=aandachtig luisteren)
47) aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
48) het oor strelen (=aangenaam in de oren klinken)
49) in het vat gieten (=aanleggen)
50) de tongen losmaken (=aanleiding geven tot gepraat)



Het dialectenwoordenboek kent 3117 spreekwoorden met `aan`


1) Moes: `Wa nou gezong'n` zei de koster en de keir'k stont in brand. (=Wat kunnen we nu nog aanvangen?)
2) leefdaals: ' plat is er af (=gezegd van een baby die enkele maanden oud is)
3) Steins: ''Bèste bang dat dien moel iëder verslete is es dien vot !?` (=opmerking als iemand je in het voorbijgaan niet groet)
4) Zaans: 'Husse met prikke en langnat' (=Antwoord op de vraag 'Wat gaan we eten?')
5) Zaans: 'Hutspot met braipenne' (=Antwoord op de vraag 'Wat gaan we eten?')
6) Gents: 'ij speulde zaane muil af (=Hij ging (verbaal ) te keer)
7) Waregems: 'k 'n wil ui nie in de reedns voln, moar... (=ik doe geen afbreuk aan uw woorden, maar...)
8) Sint-Niklaas: 'k bè bekangst tengden (=ik heb bijna gedaan)
9) Sint-Niklaas: 'k betraan èm vur geen oar (=ik vertrouw hem niet)
10) Sint-Niklaas: 'k docht bè (in) min eigen (=ik was aan het denken...)
11) Sint-Niklaas: 'k è gisteren een vallink opgeschjeird (=ik heb gisteren een verkoudheid opgedaan)
12) Lopiks: 'k ga ff de vullis (of kliko) aan de dijk zetten (=Ik ga even de vuilnis aan de weg zetten)
13) Gents: 'k goa maan heufd nekeer binnen steken (=ik ga op bezoek)
14) Brugs: 'k gon no m'n uus gon patèle eejten (=ik ga naar huis gaan middageten)
15) Westerkwartiers: 'k heb d'r kant oaregheid aan (=ik beleef er veel plezier aan)
16) Westerkwartiers: 'k hoop dat ze gauw opkrazz'n (=ik hoop dat ze snel naar huis gaan)
17) Hulsters (NL): 'k staan op m'n zaad (=Ik sta quitte ( bij knikkeren ))
18) Ninoofs: 'k veger man polleviekes oean (=ik trek het mij niet aan)
19) Westerkwartiers: 'k wil wiet'n wat veur vlees ik ien 'e kuup heb (=ik wil weten wat ik daar aan heb)
20) leefdaals: 'k zal aa seffes (=waarschuwing aan kind bijv)
21) wierings: 'k zal m'n gat maar weer onger min erreme neme (=ik zal maar weer eens aan het werk gaan)
22) Antwerps: 'k zien liever heur iele dan heur tiëne (=Ik zie ze liever gaan dan komen)
23) Sinnekloases en niekaarks: 'k Zijn den bos in, 'k Kruip in mijne nest (=Ik ga gaan slapen)
24) Lokers: 'k zijn ier mij kluueten aun 't afdrauen (=ik ben hier aan het zwoegen)
25) Veurns: 'k Zoen de katte buut'nsmiet'n mi zuk è muus! (=Wat een aantrekkelijke vrouw!)
26) Luyksgestels: 'k zoo'm wel op kanne fréte (=ik kan hem wel iets aandoen)
27) Westerkwartiers: 'n baarg waark en gien hunning (=veel werk gedaan, lage beloning)
28) Westerkwartiers: 'n echte boerakkerbaal (=heel slecht aangegeven bal)
29) Westfries: 'n goeie haan die is niet vet (=gezegd over een magere man)
30) Westerkwartiers: 'n kat ien 'e zak koop'n (=een foute aankoop doen)
31) Waregems: 'n kèès' omsteek'n (=een kaars aansteken)
32) Weerts: 'n kers opstaeke vör d'n duûvel (=aan de verkeerde persoon eer bewijzen)
33) Twents: 'n Kleen neuske ko'j gaauw snuutn (=Gering in aanzien, snel aftroeven)
34) Twents: 'n klèèn pötje is gauw heete (=snel aangebrand zijn)
35) Overmeers: 'n mijte groan (=een stapel graan)
36) Westerkwartiers: 'n profeet wordt ien eig'n laand niet eerd (=men wordt in eigen plaats niet gewaardeerd)
37) Waregems: 'n seenewoarietsje, 'n tseentewoareke (=kruisje op het voorhoofd voor het slapengaan)
38) Waregems: 'n sortietsje placeren (=op café gaan)
39) wijlres: 'ne aezel haat neet ummer lang oere (=aan de buitenkant is niet te zien of iemand dom is)
40) Sint-Niklaas: 'nen broebeljeir (=iemand die onverstaanbaar, binnensmonds praat)
41) Westerkwartiers: 's laands wies, 's laand eer (=elke streek heeft zijn gewoontes)
42) Waregems: 't akkooërd zijn mee (=akkoord gaan met)
43) Zottegems: 't alvend van de moand (=in de helft van de maand)
44) Veurns: 't an de katte geven (=Er de brui aan geven)
45) Westerkwartiers: 't bij 'n aaner ien 'e schoen'n schuuv'm (=iemand ander de schuld geven)
46) Westerkwartiers: 't braand as 'n liere (=het brand goed)
47) Hansbeeks: 't em geevn (=Het aan hem geven)
48) Westerkwartiers: 't ene gat met 't aaner gat stopp'n (=met nieuwe schulden oude schulden aflossen)
49) Waregems: 't es 'n zoake (=voordelig koopje aanprijzen)
50) Gents: 't es 't ure van poliese (=t'is tijd om naar huis te gaan)

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 Volgende



Bron
De spreekwoorden en gezegden zijn voor het grootste deel afgeleid van Wikiquote: Nederlandstalige spreekwoorden, Nederlandstalige gezegden en Wikipedia: Lijst van Nederlandse spreekwoorden. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Tips en mededelingen
Tip: Weet u spreekwoorden die typisch zijn voor uw dialect? Voeg ze toe in het dialectenwoordenboek en het verschijnt automatisch in deze lijst.

Woordenboek

dag pragmatisch adequaat

Spreekwoorden

kat klok heilig boter

Vertalen



Encyclopedie


Recente zoekopdrachten

Tussen haakjes staat het aantal gevonden spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegden
aan (745)
als een kat o (2)
OP TIJD (1)
als een hoentje (1)
als een furie te (1)
OP JE TENEN (1)
als een fenik (1)
OP GOEDE V (2)
als een dondersl (1)
als een dief in de nacht (2)
OP DE VUIST (1)
als een bok op (1)
OP ALLE (2)
als een boer die kiespijn heeft (2)
Iemand voor het hoofd stoten (1)
© Woorden.org MMXI | Over woorden.org | Gebruikersvoorwaarden | Woord begint met...