Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


20 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Rijk`

  1. aan de stRijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  2. als god in frankRijk (=zorgeloos)
  3. dat is een Rijkeluiswens (=iets waar heel erg naar wordt verlangd)
  4. de hand over zijn hart stRijken (=)
  5. de plooien glad stRijken (=de ruzie bijleggen)
  6. de vlag stRijken (=het opgeven)
  7. de vlag voor iemand stRijken (=voor iemand onderdoen, zijn meerdere erkennen)
  8. een Rijke stinkerd. (=een rijk iemand.)
  9. een vaantje stRijken (=flauw vallen, sterven, het opgeven)
  10. er blijft veel aan maat en stRijkstok hangen (=lang niet alles komt op zijn plaats terecht)
  11. er is geen zalf aan te stRijken (=ergens niets aan kunnen doen of geen enke zinvol advies mogelijk voor iemand)
  12. het Rijk alleen hebben (=alleen baas zijn, alleen thuis zijn)
  13. het zeil stRijken (=het opgeven / flauw vallen / van iemand verliezen)
  14. iemand onder de kin stRijken (=vriendelijke of vleiende dingen tegen iemand zeggen)
  15. leven als een god in FrankRijk (=een aangenaam en zorgeloos leven hebben)
  16. menen ligt dicht bij KortRijk (maar verre van Waregem). (=iets menen is niet genoeg; je moet er zeker van zijn. (Dit zeldzame spreekwoord wordt in Oost- en West-Vlaanderen soms gebruikt als ironische reactie wanneer iemand iets meent te weten, door te verwijzen naar de stad Menen, die ver van Waregem, dus de waa)
  17. slapende Rijk worden (=veel geld verdienen zonder er iets voor te moeten doen)
  18. steenRijk (=uitzonderlijk rijk.)
  19. stRijk en zet (=altijd weer opnieuw)
  20. tegen de vleug stRijken (=prikkelen, boos maken)

34 betekenissen bevatten `Rijk`

  1. 't Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan. (=alleen een Rijke man kan er een tweede vrouw op na houden.)
  2. wie hoog klimt kan laag vallen. (=belangRijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  3. de rijpste pruimen zijn geschud. (=belangRijkste werk is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald)
  4. iemands rechterhand zijn (=de belangRijkste assistent zijn)
  5. het beste paard van stal. (=de belangRijkste persoon in het gezelschap)
  6. het gouden kalf aanbidden (=de hoogste waarde hechten aan geld / zich onderdanig gedragen tegenover Rijken)
  7. de krenten uit de pap halen. (=de meest aantrekkelijke gedeelten voor zichzelf bestemmen, bijvoorbeeld de meest interessante taken uit een omvangRijk werk.)
  8. de dans om het gouden kalf (=de strijd om Rijk te worden.)
  9. met de neus in de boter vallen (=door geluk Rijk geworden zijn)
  10. iets (met krijt) aan de balk schrijven (=een gebeurtenis is zo belangRijk/bijzonder dat men het niet wil vergeten)
  11. een taling uitzenden om een eendvogel te vangen (=een kleinigheid opofferen om iets belangRijks terug te krijgen)
  12. het sop is de kool niet waard. (=een onderwerp is te onbelangRijk om er aandacht aan te geven)
  13. een rijke stinkerd. (=een Rijk iemand.)
  14. geld maakt niet gelukkig. (=er is meer in het leven dan Rijkdom)
  15. er een halszaak van maken. (=het erg belangRijk maken van iets.)
  16. hij is in Rome geweest, maar heeft de Paus gemist (=hij heeft het belangRijkste laten schieten)
  17. een stofje aan een weegschaal zijn (=iets erg onbelangRijks zijn)
  18. ergens niet om malen. (=iets onbelangRijk vinden.)
  19. beter van een stad dan van een dorp. (=je kan beter wat krijgen van een Rijk persoon dan van een arme.)
  20. een bliekje werpen om een snoek te vangen (=met iets onbeduidends iets belangRijks proberen te krijgen)
  21. niet in tel zijn (=niet belangRijk genoeg zijn of genegeerd worden door anderen)
  22. niet ruim kunnen soppen (=niet erg Rijk zijn)
  23. op alle slakken zout leggen (=op alle onbelangRijke dingen commentaar hebben)
  24. over koetjes en kalfjes praten (=over allerlei onbelangRijke dingen praten)
  25. met hoge heren is het kwaad kersen eten. (=plezier maken en belangRijke beslissingen nemen, gaan slecht samen)
  26. in bonis (=Rijk - gegoed)
  27. veld winnen (=steeds belangRijker worden)
  28. spijkers op laag water zoeken (=uitermate achterdochtig zijn, onprettige opmerkingen maken over onbelangRijke zaken)
  29. steenrijk (=uitzonderlijk Rijk.)
  30. heden in hoogheid verheven morgen onder de aarde (=vandaag nog heel belangRijk, maar morgen misschien al dood)
  31. een wak slaan. (=vindingRijk zijn.)
  32. wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen. (=wat het belangRijkste is moet het eerste gebeuren)
  33. in het veen kijkt/ziet men niet op een turfje. (=wie Rijk is let niet op een euro meer of minder)
  34. Hij is ridder te voet geworden (=zijn Rijkdom is verdwenen)

Het dialectenwoordenboek kent 58 spreekwoorden met `Rijk`

  1. Bilzers: Ter dievel sjit altijd mer op dezelfde hoop (=Rijken Rijker, armen armer)
  2. Veussels: Ik zen van Veussel. (=Ik ben van Rijkevorsel.)
  3. Munsterbilzen - Minsters: geld zik geld (=Rijken trekken altijd op met andere Rijken)
  4. Westerkwartiers: vet wil boov'm driev'm (=Rijkelui willen de baas spelen)
  5. Epers: de dûvel drit altied op de grootste hoop (=De Rijken worden het meest bevoordeeld)
  6. Munsterbilzen - Minsters: soekkertant (=Rijke tante)
  7. Westerkwartiers: die geld het ken stuut koop'n (=Rijken kunnen zich veel permitteren)
  8. Eys: Der duvel sjiet ömmer óp ter groeëtste hoop (=De Rijken krijgen altijd het meest)
  9. Westerkwartiers: da's mien sukkertaande (=dat is mijn Rijke tante)
  10. Westerkwartiers: geld zocht geld (=Rijke vrijers zoeken elkaar)
  11. Hulshouts: dieje schèt geld (=hij is Rijk)
  12. Harelbeeks: J'ee zyn voet'n ip 't drwugge (=Hij heeft Rijkdom vergaard)
  13. Diesters: goeje schijr gedoan (=goede ( Rijke ) man gevonden)
  14. Munsterbilzen - Minsters: iemes mèt viël knabbe (=een Rijke persoon)
  15. Maldegems: jet a boale ge'ed (=hij is Rijk)
  16. Zeeuws: kwou dak zo rieke was ,as de mensen dienken dak bin (=Rijke man)
  17. Westfries: Die het puur staanuit (=Die pronkt zijn met status/Rijkdom)
  18. Westerkwartiers: je moet'n de schoap'n scheer'n noardat ze wol hemm'n (=men mag van Rijken meer vragen dan van armen)
  19. Sint-Niklaas: ene mè kluiten (=een Rijk iemand)
  20. Lichtervelds: j ee moa t geld te scheppn (=hij is zeer Rijk)
  21. kortemarks: jee moa tgeld te scheppn (=hij is zeer Rijk)
  22. Merenaars: skieërlings op de wieëlend zitten (=Rijk, vermogend zijn)
  23. Heldens: Dee heet get inne zuk, kèrre vol! (=Hij is Rijk)
  24. Westlands: Hoeveel paipe heb je vader? (=Hoe Rijk is je vader?)
  25. Zeilbergs: Bessem hebben (=Het Rijk alleen hebben)
  26. Lichtervelds: jis mé ze gat in de beutre gevooln (=hij is Rijk getrouwd)
  27. Genneps: V eul Spöön hèbbe (=Rijk zijn)
  28. Bilzers: zen sjiëpkes opt dreig hübbe (=Rijk zijn)
  29. Westerkwartiers: liek is riek (=zonder schulden ben je Rijk)
  30. Munsterbilzen - Minsters: tés n weelde aste mét weineg kons laeve (=Rijkdom kan je niet waarderen als je nooit armoe hebt gekend)
  31. Munsterbilzen - Minsters: tiëge nen oëve hoeste nie te gaope (=een arme verliest altijd van een Rijke)
  32. Westerkwartiers: hij was de keuning te riek (=koning - hij was de koning te Rijk)
  33. Sint-Niklaas: veel zjaar ein (ne zjaarman) (=laten merken dat men Rijk is)
  34. Bilzers: kentsje bijte, breidsje Rijke (=spaarzaam zijn op vlees)
  35. Bilzers: Aste sloëpend Rijk wils wiëne, moeste iës zien én sloëp te geraoke (=Rijk worden is niet gemakkelijk)
  36. Weerts: dao weurtj mieër leîd gevaare as gedraage (=Rijke mensen hebben vaak meer verdriet)
  37. Lichtervelds: tgeld groeit nie up mne rik (=ik ben niet Rijk)
  38. Munsterbilzen - Minsters: tgeld was mich nie opte règ (=zo Rijk ben ik niet !)
  39. kortemarks: kee gièènen eezle die geld schyt (=ik ben niet Rijk)
  40. Klemskerks: groate ruuten, letter kluuten: wie met uiterlijk vertoon Rijkdom voorwendt, is in werkelijkheid vaak een armoedzaaier. (=grote ruiten, letter kluiten)
  41. Westerkwartiers: 't ken beder van 'e stad as van 't dörp (='t kan beter van een Rijke dan van een arme)
  42. Bilzers: kentsje bijte en vleeske Rijke (=je moet spaarzaam zijn met eten)
  43. Bilzers: doë geeste geen dikke kiëtele van sjijte (=daar zul je niet Rijk van worden)
  44. Bilzers: viël ûm den erm, mer niks en den derm (=Rijk gekleed, armoe op tafel)
  45. Munsterbilzen - Minsters: doë zulste geen dikke kliskes van sjijte (=daar zul je niet Rijk van worden)
  46. Munsterbilzen - Minsters: Ich hüb den Dikke Zjenderm nog dèk zien op te loop gon mèt zen aa kammenët as de waolen on Den Danmark (laoter Jaws) mèt e man of tein zen kammenet wolle ümgoeje (=Lachwekkend was vooral het optreden van Den Dikke (gendarme) om de orde te herstellen in de Danmark (van Twanneke van Zjeif); als de Waaltjes wervraak namen op zijn Rijkswachtcamionette was hij rap verdwenen)
  47. Westerkwartiers: liek is riek (=als je geen schulden hebt ben je Rijk)
  48. Lichtervelds: vroegr amn espe, nu ollièène nog tbièèn (=vroeger waren we Rijk en nu arm)
  49. Munsterbilzen - Minsters: doë zulste geen dikke kieëtele van sjijte (=daar wordt je niet Rijk(er) van)
  50. Munsterbilzen - Minsters: ne Rijke stinker (=iemand met heel veel geld)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen