D, T of DT

Heb je het verbruid of verbruidt?

tegenwoordige tijd

ik .....: Voeg geen d of t toe:
ik word, ik vind, ik wandel, ik fiets.

jij ....: Voeg een t toe:
jij wordt, jij vindt, jij wandelt, jij fietst.

..... jij: Voeg niets toe:
word jij, vind jij.

u/hij/zij/het ....: Voeg een t toe:
u wandelt, hij fietst, zij wordt, het bestuur vindt.

Tip: Vervang het werkwoord in een zin eens door `fietsen`;
Hij vind/t het goed. === Hij fietsT het goed => Hij vindT het goed
Ik vind/t het goed. === Ik fiets het goed => Ik vind het goed
Zij houd/t van jou. === Zij fietsT van jou => Zij houdT van jou

verleden tijd

Eindigt de stam op een letter uit `t kofschip? Schrijf een t:
ik lustte, jij kookte, zij bofte, hij laste, u juichte, zij zapte;ik heb gelust

Eindigt de stam niet op een letter uit `t kofschip? Schrijf een d:
ik heb beloofd, jij bent verhuisd, u hebt gerend, zij heeft gehaald.
ik beloofde
(de stam van het werkwoord `beloven` eindigt op een v en niet op een f),
jij verhuisde, u rende, hij haalde

Het kofschip

Schrijf je een werkwoord in de verleden tijd met `te` of `de`?
  1. Neem de stam van het werkwoord. (bv. fietsen of bellen)
  2. Neem de laatste letter van de stam (bv. fietsen of bel)
  3. Zit de letter in het kofschip?
    Ja; voeg TE toe (bv. fiets+te)
    Nee; voeg DE toe (bv. bel+de)

Tip: Gebruik nooit dt bij een voltooid deelwoord. (verbruid, gedeeld, onthand)